TY - JOUR
T1 - Case note: ECLI:NL:RVS:2006:AZ0806 ABRvS 18 oktober 2006
T2 - Ontvankelijkheid, zienswijzen, gegrondheid, belanghebbende, uniforme openbare voorbereidingsprocedure, voorbereidingsprocedure
AU - de Graaf, K.J.
N1 - Oorspronkelijke serie:
Jurisprudentie Milieurecht vol: 2006
case no: 126
PY - 2006
Y1 - 2006
N2 - Bij besluit van 31 mei 2006 is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een musicaltheater met horecavoorzieningen en een parkeergarage aan de Europaboulevard te Amsterdam. Tegen dit besluit is door onder meer verzoekster beroep ingesteld en is door haar om een voorlopige voorziening verzocht. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Verzoekster heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geurhinder. Nu niet is gebleken dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, verwacht de Voorzitter dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
AB - Bij besluit van 31 mei 2006 is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een musicaltheater met horecavoorzieningen en een parkeergarage aan de Europaboulevard te Amsterdam. Tegen dit besluit is door onder meer verzoekster beroep ingesteld en is door haar om een voorlopige voorziening verzocht. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Verzoekster heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geurhinder. Nu niet is gebleken dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, verwacht de Voorzitter dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
M3 - Case note
SN - 1387-1277
VL - 2006
JO - Jurisprudentie Milieurecht
JF - Jurisprudentie Milieurecht
M1 - JM 2006/126
ER -