Abstract
Het doel van dit onderzoek is de ontwikkeling van een methode ter bepaling van een individueel aangepaste beethoogte te beschrijven. Alle bestaande methoden hebben namclijk het bezwaar dat ze op zichzelf niet voldoende garantie bieden om goede resultaten te bereiken. In het eerste hoofdstuk worden deze bestaande methoden vermeld. Wij hebben bij de beschrijving hiervan onderscheid gemaakt tussen twee groepen:
1. De methoden, die ons rechtstreeks beethoogten leveren.
II. De methoden, die dit via een omweg doen.
1. Methoden, die rechtstreeks leiden tot het vastleggen van de beethoogte.
A. Het verzamelen van gegevens over de beethoogtc voor de totale extractie, om deze naderhand bij de bepaling van de beethoogte of het herstellen daarvan, te kunnen toepassen.
a.Het meten van de beethoogte tussen tatouages, die V(lOr de extractie werden aangebracht.
b.Het gebruik van draadcontouren.
c.Het gebruik van profielfoto's.
d.Het maken van doorzichtige kunstharsmaskers.
e.Het maken van telerontgenprofielfoto's. De laatstgenoemde methode wordt door ons als de beste beschouwd. Alle genoemde methoden hebben echter het bezwaar, dat een pathologische toestand wordt vastgelegd, die naderhand, wat de beethoogte betreft, gereproduceerd wordt.
B.Het bepalen van de beethoogte, indien gegevens van voor de totale extractie hierover niet aanwezig zijn.
a. Gelaatsverhoudingen.
1. De beethoogtebepaling volgens Jupitz (1904), die de 'gulden snede' toepaste op gezichtsafmetingen.
Paradies (1910) gebruikte eveneens de 'gulden snede' en daarbij de driepuntspasser van Garinger.
2.Willis (1930) vond bepaalde standaardmaten in de gezichtsafmetingen. Onderrand kin -onderkant neus is gelijk aan mondspleet -oogpnpil.
3.De mening van Kantorowicz (1932) was dat de beethoogte is bereikt, indien het onderste derde deel van het gezicht gelijk is aan de lengte van de neus. Er moet dan tevens sprake zijn van een ongedwongen liprelatie.
4.Wright (1939) gebruikte gezichtsmaten, die hij op foto's vond, om de beethoogte te bepalen.
5 en 6. McGee (1947) en Sorensen (1947) gingen eveneens uit van gezichtsmetingen.
b.Contact onder-bovenlip.
l. Bernard Frank (1906) was van mening dat de occlusiehoogte wordt bereikt, zodra tijdens de sluitbeweging de lippen elkaar raken.
2. Volgens Gysi (1926) wordt de juiste beethoogte bereikt, als bij het sluiten van de beetwallen de lippen elkaar losjes raken. Ook Kantorowicz (1932) sprak over een ongedwongen liprelatie.
c.Afstand en evenwijdigheid.
l. In 1946 stelde McGrane vast dat de afstand tussen de omslagplooi van de bovenkaak en de omslagplooi van de onderkaak in de mediaanlijn gemeten, 4 cm. bedraagt. Hct occlusievlak verdeelt deze afstand volgens een bepaalde verhouding.
2. Sears en Nagle (1962) zijn van mening dat in de juiste beethoogte de processus alveolaris superior evenwijdig moet lopen aan de processus alv. inferior.
d.Kauwkracht.
l. In 1940 beweerde Boos dat de maximale kauwkracht uitgeoefend wordt op de juiste beethoogte.
e.Beweging condyli.
l. Onder dit punt werd de theorie van Parks (1929) besproken.
f.Speeksel slikken.
l. Slikken zonder tegendruk. Shanahan (1956) vond de beethoogte door de patient te laten speeksel slikken. Er wordt hierbij volgens hem licht contact gemaakt tussen de elementen van onder-en bovenkaak.
2. Ook Malson (1960) gaat van een dergelijke veronderstelling uit, maar werkte met een underbeetwal, waarop wasconussen waren aangebracht van zachte was. Tijdens het slikken worden deze wasconussen iets ingedrukt. Hij acht de beethoogte bepaald, zodra de wasconussen tijdens het slikken niet meer ingedrukt worden.
g.Spreken.
1.Gysi (1926) was van mening dat de juiste beethoogte bereikt wordt, indien bij het uitspreken van het woord 'Mississippi' vier tot vijf mm. ruimte blijft tussen de beetwallen.
2.M.M. Silverman (1952 en 1956) bepaalde de beethoogte via de 'closest speaking space', die ontstaat bij het uitspreken van 's'klanken. Hij kon deze methode alleen gebruiken bij patienten, die nog in het bezit waren van hun eigen gebit. Was dit niet meer het geval, dan liet hij de 's'klanken uitspreken, terwijl de onder-en bovenbeetwal in de mond geplaatst waren. Als deze 's'klanken normaal uitgesproken werden, vond hij de beethoogte goed.
h.Bepaling door patient.
1.Herinnering. Swenson en Schweitzer noemen in hun handboeken de herinnering die men aan zijn oorspronkelijke beethoogte zou hebben, maar ze geven geen methode, die gebruik maakt van deze herinneringsfactor. Miller (1966) gebruikt de herinneringsfactor om de beethoogte te bepalen.
2.Comfort. Vrijwel gelijktijdig met Lythle (1964) publiceerde Timmer (1964) een methode waarbij de patient zelf de beethoogte bepaalt.
II. B. Methoden ter verkrijging van de beethoogte via rusthoogte en rustafstand.......
Zie: SAmenvatting
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Qualification | Doctor of Philosophy |
| Awarding Institution |
|
| Supervisors/Advisors |
|
| Award date | 24-May-1967 |
| Place of Publication | Groningen |
| Publisher | |
| Publication status | Published - 1967 |