Abstract
Conclusies
Vanaf het einde van de achttiende eeuw, maar meer nog in de tweede helft van de negentiende eeuw vonden grote veranderingen plaats in de verschillen in reproductie tussen de belangrijkste sociaal-economische groepen op het Groninger platteland. Arbeiders werden demografisch veel succesvoller dan de twee andere groepen, namelijk landbouwers, en diegenen werkzaam in nijverheid en diensten, vooral als kleine zelfstandige of in enigszins geschoolde beroepen. Uitgaande van de beschikbare informatie, lijkt er sprake van vier belangrijke ontwikkelingen. Ten eerste daalde de huwelijksleeftijd van arbeidersvrouwen sterk in vergelijking met de twee andere groepen (een ontwikkeling die in elk geval in de tweede helft van de negentiende eeuw ook elders in Nederland plaatsvond: van Poppel 1993). Ten tweede was lange tijd de huwelijksvruchtbaarheid van arbeidersvrouwen lager dan van andere vrouwen. Dit verschil nam sterk toe in de eerste helft van de negentiende eeuw. Echter na 1850 draaide dit volledig om, en waren arbeidersvrouwen juist veel vruchtbaarder, in het bijzonder aan het eind van de negentiende eeuw. Ten derde lijken de verschillen in kindersterfte en volwassenensterfte tussen arbeiders en de rest wat geringer te zijn geworden in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ten vierde nam het aandeel buitenechtelijke kinderen – vermoedelijk vooral kinderen van arbeidersdochters – eerst flink toe in het begin van de negentiende eeuw, om later weer te gaan dalen. Jammer genoeg beschikken we thans nog niet over betrouwbare schattingen over de ontwikkeling van de mate waarin men ongehuwd bleef naar sociale groep. Het wordt zeer duidelijk dat de reproductie van arbeiders relatief laag was in de achttiende eeuw. Dit veranderde echter rigoureus in de loop van de negentiende eeuw en vooral na 1850. Pas in deze periode worden arbeiders qua voortplanting veruit de meest succesvolle sociale groep in Noordwest-Groningen. Dit is een situatie die pas rond 1850 ontstaan is. Dat dit niet eerder gebeurde komt doordat het effect van de sterk dalende huwelijksleeftijd van arbeidersvrouwen in de eerste helft van de negentiende eeuw nog vrijwel volledig gecompenseerd werd door de fors gedaalde huwelijksvruchtbaarheid in deze periode. Pas toen die huwelijksvruchtbaarheid zich herstelde na 1850, mogelijk als gevolg van de stijgende levensstandaard, werden de arbeiders opeens veel reproductiever dan de rest. Het, althans aan het eind van de negentiende eeuw, nog achterwege blijven van de demografische transitie onder arbeidersgezinnen in Noordwest-Groningen, zorgde er voor dat deze generatie arbeiders demografisch veel succesvoller werd dan alle andere sociale groepen.Dit laatste moet een positief effect gehad hebben op de kansen op opwaartse sociale mobiliteit en een negatief effect op de kansen op neerwaartse sociale mobiliteit in de tweede helft van de negentiende eeuw, uitgaande van een gegeven ontwikkeling van de sociale structuur (ceteris paribus). In de praktijk resulteerde dit vermoedelijk echter toch niet in een heel sterke feitelijke stijging van de opwaartse sociale mobiliteit in deze periode, omdat het aandeel van de arbeiders verder toenam in Noordwest-Groningen en dus de sociale structuur niet bepaald constant was. De opwaartse sociale mobiliteit zou echter nog lager en de neerwaartse sociale mobiliteit nog hoger zijn geweest, indien de biologische reproductie van de arbeiders niet zo sterk boven dat van de boeren en de middenklasse zou zijn uitgestegen na 1850, en zoals in de jaren vóór 1850 lager dan de boeren en middenklasse was gebleven. Een niet onbelangrijk deel van het omvangrijke nageslacht van de Groningse landarbeiders vertrok overigens naar elders na het midden van de negentiende eeuw om daar zijn positie trachten te verbeteren. In het bijzonder Noord-Amerika was een aantrekkelijke bestemming voor hen. Het is in dit opzicht heel interessant om na te gaan, in hoeverre het Groninger platteland representatief is voor andere delen van Nederland, en zelfs van de westerse wereld. Waren de armste delen van de bevolking elders ook minder reproductief vóór 1850? En werden ze demografisch veel succesvoller in de loop van de negentiende eeuw als gevolg van het verdwijnen van belemmeringen op huwelijkssluiting, van de modernisering en van een stijging van de levensstandaard in de tweede helft van de negentiende eeuw, waar vooral de laagste klassen voordeel van hadden?
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Title of host publication | Kwetsbare groepen in/en historische demografie |
| Subtitle of host publication | Historisch-demografisch onderzoek in Vlaanderen en Nederland : jaarboek historische demografie 2014 |
| Editors | Isabelle DeVos, Koen Matthijs, Bart Van de Putte |
| Publisher | Uitgeverij Acco |
| Pages | 71-98 |
| Number of pages | 28 |
| Publication status | Published - Dec-2014 |
Publication series
| Name | Jaarboek historische demografie |
|---|---|
| Volume | 2014 |