Abstract
Als iemand door ziekte of verlof enige tijd zijn werk niet kan doen, zijn er drie mogelijkheden: (1) het werk wordt overgenomen door een ander; (2) het werk blijft liggen tot
de werknemer terugkeert; (3) het werk wordt helemaal nooit meer gedaan. Aangenomen mag worden dat dit uitmaakt voor de werk- en tijdsdruk die een werknemer ervaart.
Maar ook voor de werkgever zijn er gevolgen, die meewegen bij zijn keuzes om het werk meer of minder vervangbaar te maken. In dit artikel presenteren we een theoretisch
model waarin deze werkgeverskeuzes afhangen van factoren op drie niveaus: technologie, marktcondities en werknemersgedrag. De hieruit voortvloeiende hypothesen worden met een multilevel-analyse getoetst op de Time Competition Survey 2003. Uit de resultaten blijkt dat elk van de drie niveaus een zelfstandige invloed uitoefent op de mate van (on)vervangbaarheid. Het theoretische model wordt hiermee in grote lijnen bevestigd.
Voor werknemers beperken de gevolgen zich tot een verhoogde tijdsdruk. Onvervangbaarheid is vooral het lot van de hoger opgeleiden. Vooral voor hen geldt dat het werk
blijft liggen als ze er een dagje (weekje) tussenuit gaan.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Pages (from-to) | 377-393 |
| Number of pages | 17 |
| Journal | Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken |
| Volume | 25 |
| Issue number | 4 |
| Publication status | Published - 2009 |
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver