Jeugdige ongeschoolden: een sociologische beschouwing over een aantal factoren die de mogelijkheid tot sociale en culturele integratie van jeugdige ongeschoolden uit het sociaal zwakke milieu belemmeren

Hendrik Feitsma

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

Abstract

In het kader van de beperkingen, die ik mij in deze studie gesteld heb,werd in dit hoofdstuk ter beantwoording van de in de probleemsteIling genoemde vragen, ruim aandacht geschonken aan de gezinssituatie en de gezinsfuncties. Bij de beschouwing van de gezinsfuncties kwamen twee punten steeds weer naar voren: de betekenis van de inhoud der gezinsfuncties in verband met de aanpassingsmogelijkheden aan de samenlevingsnormen en de daarmede ten nauwste samenhangende cultuuroverdracht door intermediair van het gezin. De socioloog heeft zijn eigen visie op de opvoeding. Hij gaat na, of de ouders een opvoedingsschema, gericht op de samenleving waarvan zij deel uitmaken, plegen toe te passen. Erich Fromm merkt in dit verband op, dat de ouders het opvoedingsschema van de samenleving, waartoe zij behoren, plegen toe te passen, maar ook, dat zij in hun eigen persoonlijkheid het sociale karakter van hun samenleving of klasse vertegenwoordigen. Zij brengen op het kind datgene over , wat men de psychologische atmosfeer van een samenleving zou kunnen noemen en doen dit aIleen reeds door te zijn wat zij zijn, namelijk de vertegenwoordigers van deze psychologische atmosfeer. Men kan derhalve het gezin beschouwen als de psychologische vertegenwoordiger van de samenleving. Het is de sociale functie der opvoeding, dat zij het individu voorbereidt op de rol, die het later in de samenleving moet vervuIlen. Dat wil zeggen, dat zij het karakter op zodanige wijze vormt, dat in de samenleving de persoonlijke verlangens kunnen samenvallen met de vereisten van de maatschappelijke rol. De in het gezin toegepaste opvoedingsmethode is daarom zo belangrijk, omdat deze methode het mechanisme vormt waardoor het opgroeiend individu zich aan- passingsmogelijkheden eigen kan maken. De in dit hoofdstuk gegeven beschouwing over de inhoud van de opvoedingsfuncties van het gezin van de jeugdige ongeschoolde arbeidskracht uit het sociaal zwakke milieu leidt tot de volgende conclusie: Er is een interdependent verband tussen de geringe mogelijkheden tot sociale integratie en de geringe mogelijkheden tot culturele inte- gratie. Het een impliceert het ander. De groep jeugdige ongeschoolden uit het sociaal zwakke milieu is door het gemis aan een op de samenleving gericht opvoedingssysteem sociaal en cultureel niet geintegreerd. Hun ouders zijn te beschouwen als de vertegenwoordigers van een in de samenleving sterk geisoleerde groep, die slechts de cultuur van deze groep doorgeven. Het in zeer geringe mate aanwezig zijn van mogelijkheden tot sociale en culturele integratie wordt nog versterkt doordat juist het belangrijkste element van de cultuur van deze groep bestaat uit een star afwijzen van de cul- tuur van andere groepen. Ook de geringe activiteit en interesse van de ouders om mede inhoud te geven aan de voor de samenleving af- gesplitste gezinsfuncties verkleint de integratiemogelijkheden. Deze geringe activiteit en interesse van de ouders zijn veelal terug te brengen op onvermogen.
Original languageDutch
QualificationDoctor of Philosophy
Supervisors/Advisors
  • Bouman, P.R., Supervisor
Publisher
Publication statusPublished - 1960

Cite this