Abstract
INLEIDING
Het zal ieder, die zich heeft verdiept in de vraagstukken met betrekking
tot het ondernemingsgedrag, zijn opgevallen, dat deze problematiek
theoretisch op uiteenlopende wijzen is benaderd. Het verschil in
aanpak is zeer duidelijk aanwijsbaar tussen aan de ene kant de
algemene economie, ook wel -en in de bedrijfseconomie zeer
gebruikelijk -aangeduid als de sociale economie, en aan de andere
kant de bedrijfseconomie. Een van deze verschilpunten betreft de
veronderstellingen inzake de doelstellingen van het ondernemingsgedrag.
De sociale economie heeft in principe de doelstelling gezocht
in de winstmaximalisatie. Betrekkelijk weinig sociaal-economische
auteurs hebben evenwel stilgestaan bij de problemen, die zijn verbonden
aan de bepaling van de winst.
Het winstbegrip is in de theorie en in de praktijk geassocieerd met een mogelijkheid tot vertering en uitkering.
Zoals in hoofdstuk I van deze studie zal worden besproken, is het uitkeerbare winstbegrip, in navolging van onder anderen Irving Fisher, J. R. Hicks, F. A. von Hayek en E. Lindahl, gedefinieerd als het bedrag, dat in de loop van een bepaalde periode aan de onderneming kan worden onttrokken, zonder dat de ondernemer aan het einde van die periode 'slechter af' is dan aan het begin. Men drukt het ook ,
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Qualification | Doctor of Philosophy |
| Supervisors/Advisors |
|
| Award date | 31-May-1966 |
| Place of Publication | Groningen |
| Publisher | |
| Publication status | Published - 1966 |