Samenwerken of samen zorgen? Een systematische analyse van bevorderende en belemmerende factoren in de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg in Groningen.

[No Value] Marieke de Jonge

Research output: Book/ReportReportProfessional

2013 Downloads (Pure)

Abstract

Achtergrond Dit onderzoek is een initiatief van de Achterstands Ondersteunings Fonds Commissie (AOF-commissie) van huisartsen in Groningen. Het onderzoek is uitgevoerd vanuit de Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid, gevestigd in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Aanleiding Samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals op de werkvloer vindt nauwelijks plaats, terwijl beide partijen het belang van die samenwerking onderkennen. Samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals is belangrijk om continuïteit van de zorg voor jeugd te kunnen garanderen. Die continuïteit is belangrijk zodat jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblematiek, zoals kinderen die thuis mishandeld worden of kinderen met ADHD, niet uit het oog verloren worden door hulpverleners. Wanneer jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblematiek geen hulpverlening ontvangen, kan dat namelijk zowel op korte termijn als op lange termijn ernstige gevolgen hebben. Op de korte termijn kan een situatie escaleren. Op de lange termijn, ook in het volwassen leven, kunnen ernstige persoonlijke (bijvoorbeeld psychiatrische problematiek) en ook maatschappelijke problemen (bijvoorbeeld criminaliteit) ontstaan. De samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals blijkt zowel nationaal als internationaal problematisch te verlopen. Hoewel uit onderzoek blijkt dat begrip voor elkaars perspectief, mogelijkheden en belemmeringen de samenwerking kan bevorderen, is er in Nederland tot nu toe nog weinig onderzoek uitgevoerd naar de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals. In Groot-Brittannië echter, is er uit onderzoek al veel meer bekend. Methoden In dit onderzoek werd de volgende probleemstelling gehanteerd: Welke factoren bevorderen en welke factoren belemmeren de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg in Nederland, en in het bijzonder in de stad Groningen? De jeugdzorg is een complex veld om onderzoek in te doen. Bij de jeugdzorg zijn veel partijen betrokken en het veld verandert vaak. Dat betekent dat er veel factoren zijn die van invloed kunnen zijn op de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals. Om een ordening aan te brengen in die veelheid van factoren is het Resource Dependence Institutional Cooperation Model (RDIC Model) van De Rijk, De Raak en Van der Made (2007) gebruikt. Dit model is gemaakt om samenwerking in de gezondheidszorg te analyseren. De wil die beide partijen hebben om samen te werken en de mogelijkheden die er zijn om samen te werken zijn geanalyseerd aan de hand van de factoren afhankelijkheid, percepties, doelen, middelen en regels. Aan de hand van die factoren zijn hoofdvragen en deelvragen opgesteld. In het onderzoek is gebruik gemaakt van triangulatie. Dat betekent dat het RDIC Model is toegepast op drie verschillende databronnen. Ten eerste is een literatuurstudie uitgevoerd, waarin zowel nationale als internationale literatuur is opgenomen. Ten tweede zijn kwalitatieve diepte-interviews afgenomen bij acht huisartsen en tien jeugdzorgprofessionals in Groningen en Hoogezand-Sappemeer. Tenslotte is een analyse gemaakt van de belemmerende en bevorderende factoren van het beleid waarmee huisartsen en jeugdzorgprofessionals te maken hebben in hun samenwerking. Resultaten en conclusies Zowel huisartsen als jeugdzorgprofessionals vinden het in principe belangrijk om de samenwerking te verbeteren. Toch blijkt samenwerking op de werkvloer moeilijk van de grond te komen. Uit dit onderzoek blijkt dat er nauwelijks samenwerking bestaat tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals in de vorm van afspraken over gezamenlijk handelen. Daarnaast is er weinig schriftelijke of telefonische communicatie tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals. Het contact dat er is, beperkt zich tot gegevensuitwisseling en wordt door huisartsen niet betiteld als samenwerking. Met name de onderlinge afhankelijkheid tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals in de zorg voor jeugd maakt dat zij willen samenwerken. Jeugdzorgprofessionals kunnen afhankelijk zijn van huisartsen wanneer huisartsen unieke kennis hebben over het gezin en de achtergrond van een jeugdige. Huisartsen hebben een vertrouwensband met gezinnen, waardoor huisartsen soms toegang hebben tot gezinnen waar de jeugdzorgprofessionals moeilijk hulpverlening kunnen bieden. Wanneer huisartsen meer problematiek bij jeugdigen zouden signaleren, zou dat de wil van jeugdzorgprofessionals om samen te werken met huisartsen kunnen vergroten. Huisartsen zijn afhankelijk van de informatie die jeugdzorgprofessionals hen verstrekken over de situatie van een jeugdige en gezin nadat zij hen verwezen hebben. Daarnaast hebben huisartsen behoefte aan de specialistische kennis over opvoed- en opgroeiproblematiek die jeugdzorgprofessionals hebben. Huisartsen hopen daarnaast dat jeugdzorgprofessionals het overzicht over de situatie beter kunnen bewaren dan zij dat zelf kunnen, bijvoorbeeld doordat Bureau Jeugdzorg een coördinator inschakelt. Daarnaast is er regelgeving die samenwerking in de vorm van informatie-uitwisseling tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals mogelijk maakt. De Verwijsindex Risico’s Jongeren biedt een mogelijkheid om informatie uit te wisselen tussen verschillende hulpverleners in de zorg voor jeugd. In de Meldcode Artsen en Kindermishandeling staan de mogelijkheden en onmogelijkheden voor informatie-uitwisseling tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals opgetekend. Ondanks deze mogelijkheden, blijkt uit dit onderzoek toch ook dat huisartsen in de praktijk terughoudend zijn in het uitwisselen van gegevens met jeugdzorgprofessionals. Uit dit onderzoek blijkt dat er een aantal factoren zijn die de wil om samen te werken belemmeren. Deze belemmerende factoren zijn veelal terug te voeren op het feit dat huisartsen en jeugdzorgprofessionals in verschillende ‘werelden’ blijken te werken. De verschillen in de werelden waarin beide beroepsgroepen werken, zorgen voor onderlinge onbekendheid. De onbekendheid met elkaar en elkaars context maakt dat huisartsen en jeugdzorgprofessionals obstakels ervaren om samen te werken. Huisartsen hebben een hogere professionele status doordat zij over het algemeen een hoger opleidingsniveau en meer autonomie hebben dan jeugdzorgprofessionals. Jeugdzorgprofessionals hebben een opleiding die gericht is op interdisciplinair werken, terwijl huisartsen van oudsher individueel werken. Huisartsen hebben behoefte aan een samenwerkingspartner die de autonomie heeft om gezamenlijk beleid te bepalen. Daarnaast hanteren huisartsen en jeugdzorgprofessionals een verschillend perspectief in de zorg voor jeugd. Huisartsen werken gezinsgeoriënteerd terwijl jeugdzorgprofessionals de veiligheid van het kind centraal stellen. Dat verschil maakt het moeilijk voor huisartsen en jeugdzorgprofessionals om samen te werken. Andere belemmerende factoren in de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals hebben betrekking op de middelen om samen te werken. Ten eerste blijken zowel huisartsen als jeugdzorgprofessionals weinig tijd te hebben voor samenwerking. Belangrijker is echter dat de timing die huisartsen en jeugdzorgprofessionals hanteren verschillend is. Huisartsen zijn gewend aan kort en doeltreffend overleg, terwijl jeugdzorgprofessionals meer vergaderen en overleggen. Tenslotte verschillen de wettelijke kaders waarbinnen huisartsen en jeugdzorgprofessionals werken. Waar jeugdzorgprofessionals volgens de Wet op de jeugdzorg het kind centraal moet stellen, hebben huisartsen te maken met regelgeving die stelt dat de huisarts in het belang van zijn patiënten moet handelen. Wanneer ook de ouders van een jeugdige patiënt zijn kan het voor huisartsen moeilijk zijn om beleid te bepalen. Ook ervaren huisartsen een spanningsveld tussen de zwijgplicht en de uitwisseling van gegevens met jeugdzorgprofessionals. Discussie Dit onderzoek heeft de complexiteit van de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals systematisch in beeld gebracht. Het RDIC model bleek zeer geschikt om inzicht te verschaffen in de factoren die van invloed zijn op de samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorgprofessionals. Samenwerking werd in dit onderzoek gedefinieerd als het nakomen van afspraken over gezamenlijke activiteiten. Onder huisartsen en jeugdzorgprofessionals blijkt slechts in beperkte mate behoefte aan doelgericht overleg. Er lijkt meer behoefte aan dat wat gedefinieerd zou kunnen worden als ‘samen zorgen’: de verschillen in elkaars blik erkennen en respecteren, en vervolgens een gezamenlijke koers uitzetten en gezamenlijk beleid bepalen. Daarvoor is noodzakelijk dat beide partijen voldoende autonomie hebben om tot een gezamenlijke beslissing te komen. De samenwerking kan verbeteren wanneer huisartsen en jeugdzorgprofessionals in gesprek gaan over elkaars beweegredenen, mogelijkheden en beperkingen. Er lijkt nog een lange weg te gaan voor er sprake van kan zijn dat de jeugdzorg en de huisartsen samen zorgen. Want dat veronderstelt dat er gezamenlijkheid een doel bepaald kan worden. Daarom moet toekomstig onderzoek op dit terrein zich richten op de vraag hoe samenwerking tussen twee partijen die wat betreft professionaliteit, autonomie en benadering verschillen, vorm gegeven moet worden.
Original languageDutch
Place of PublicationGroningen
Publishers.n.
Number of pages92
Publication statusPublished - 2011

Cite this