Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Time reference in standard Indonesian agrammatic aphasia

  • Harwintha Yuhria Anjarningsih

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

1487 Downloads (Pure)

Abstract

Agrammatische afasie is een ingewikkeld taalprobleem dat doorgaans veroorzaakt wordt door beschadiging van hersenweefsel in de linkerhemisfeer. In het geval van agrammatische afasie is het gebied van Broca dikwijls bij de beschadiging betrokken (Brodmanngebieden 44 en 45). Agrammatische sprekers hebben vaak moeite met zowel de productie als het begrip van grammaticale kenmerken van taal. Uit experimenteel onderzoek naar de (spontane) taalproductie door agrammatische sprekers van verschillende verbogen talen, zoals Nederlands, Engels, Duits, Grieks en Turks, is verwijzing naar tijd een zwak punt gebleken. Toch moeten er meer gegevens worden verzameld om na te gaan of problemen met tijdverwijzing worden veroorzaakt door problemen met het verbuigen van werkwoorden, door moeilijkheden met het verwijzen naar een bepaald moment in tijd (bijv. verleden tijd), of door andere, nog onbekende elementen. De tijdsverwijzing in Standaard Indonesisch (SI) is om drie redenen interessant om te onderzoeken. Ten eerste kan tijdsverwijzing in SI worden uitgedrukt op twee verschillende manieren, namelijk met woorden of met vrije morfemen die niet gebonden zijn als verbogen morfemen. In het eerste geval wordt tijd weergegeven met behulp van een syntactisch aspectueel bijwoord (bijvoorbeeld sudah, sedang of akan). In het tweede geval wordt een lexicaal bijwoord van tijd gebruikt (bijvoorbeeld baru saja of sekarang). Dankzij deze eigenschappen van SI zijn interfererende effecten door inflectie dan ook uitgesloten. Ten tweede kunnen we met dit onderzoek nagaan of er bij agrammatische sprekers sprake is van een centraal probleem bij verwijzing naar tijd. Met andere woorden: deze studie stelt ons in staat te onderzoeken of problemen met tijdverwijzing nog steeds bestaan als er geen linguïstische operaties worden toegepast. Ten derde gaat het om een taal die moeilijk te bestuderen is. SI behoort tot een andere taalfamilie dan de talen die tot dusver zijn beschreven in de afasiologie, neurolinguïstiek en psycholinguïstiek. Echter, omdat SI een groot aantal sprekers heeft, kan onderzoek naar deze taal op deze terreinen een belangrijke bijdrage leveren. Het onderwerp dat in dit proefschrift wordt behandeld staat centraal in een crosslinguïstisch project over tijdsverwijzing dat wordt uitgevoerd binnen de onderzoeksgroep Neurolinguïstiek in Groningen. Naast het bestuderen van tijdsverwijzing in SI, hebben we testen geëvalueerd die al in meer dan vijftien talen worden gebruikt. De resultaten van dit grootschalige onderzoek geven dan ook aan in hoeverre deze testen geschikt zijn voor bijvoorbeeld toepassing bij onderzoek naar tijdsverwijzing in SI. Hoofdstuk 1 geeft achtergrondinformatie over SI die nodig is om de volgende hoofdstukken te begrijpen. Hier wordt een aantal theoretische verklaringen gepresenteerd die verband houden met agrammatische afasie. Twee ervan werden geselecteerd om in dit project getest te worden. Aan het eind van dit hoofdstuk worden vier algemene onderzoeksvragen geformuleerd. 1. Zouden aspectuele bijwoorden van Standaard Indonesisch (SI) moeilijk zijn voor agrammatische sprekers? Het zwakke-syntaxis-model voorspelt dat alle aspectuele bijwoorden moeilijk zouden zijn omdat ze verbonden zijn met de context,terwijl de PADILIH voorspelt dat alleen de voltooid aspectuele bijwoorden moeilijk gevonden zouden worden. 2. Zouden lexicale bijwoorden moeilijk zijn voor agrammatische sprekers? Tot op heden zijn lexicale bijwoorden in de literatuur nog nooit gedocumenteerd als problematisch. Het feit dat ze gebruikt worden om naar tijd te verwijzen en dat ze verbonden zijn met de context, voorspelt echter dat ze moeilijk kunnen zijn voor agrammatische SI-sprekers. 3. Zijn de moeilijkheden die veroorzaakt worden door deze twee soorten bijwoorden hetzelfde of verschillend? 4. Als ze verschillend zijn, hebben de verschillen dan te maken met de modaliteit (spontane taal, begrip of productie)? Hoofdstuk 2 geeft kenmerken van agrammatische spraak in SI, omdat er tot op heden geen test of methode bestaat die kan worden toegepast om SI-sprekende deelnemers met agrammatische afasie te selecteren. Gebaseerd op een aantal variabelen die uitvoerig in de literatuur zijn besproken en een aantal variabelen die alleen in SI voorkomen, concluderen we dat SI agrammatische spraak wordt gekenmerkt door korte en syntactisch eenvoudige zinnen, een traag spraaktempo, een lage proportie van partikels in het algemeen en syntactische partikels in het bijzonder, problemen bij het realiseren van grammaticale objecten na accusatief-markeerders, mogelijke problemen met derivationele affixen en reduplicatie, maar geen problemen met werkwoordelijke gezegden en afgeleide woordvolgorden (bijvoorbeeld passieven). In hoofdstuk 3, 4 en 5 wordt het onderzoek naar tijdsverwijzing bij agrammatische sprekers in SI besproken Hoofdstuk 3 gaat over de relatie tussen de verscheidenheid van werkwoordelijk gezegden (zoals gemeten met de Type Token Ratio) en de aspectuele bijwoorden die gebruikt worden in de werkwoordelijk gezegden. Wanneer de taalproductie van de agrammatische deelnemers wordt vergeleken, valt er een zekere wisselwerking tussen de twee variabelen te ontdekken. Aan de ene kant produceren de agrammatische sprekers die een hoger Type Token Ratio hadden, aspectuele bijwoorden minder frequent. Aan de andere kant produceren de agrammatische sprekers die een lager Type Token Ratio hadden, aspectuele bijwoorden met een hogere frequentie. Door agrammatische sprekers die aspectuele bijwoorden minder frequent produceerden werden de lexicale bijwoorden niet als compensatie overdreven vaak gebruikt. Daarom kan de eerste onderzoeksvraag (de aspectuele bijwoorden zijn moeilijk) bevestigend worden beantwoord. Er is een wisselwerking tussen de variatie van werkwoordelijke gezegdes (zoals gemeten met de Type Token Ratio) en het percentage van aspectuele bijwoorden die gebruikt worden met de werkwoordelijke gezegdes, zonder een overproductie van lexicale bijwoorden van tijd om de noodzaak aan tijdsverwijzing te compenseren. Dit proefschrift gaat verder door met hoofdstuk 4 waarin een begripstudie wordt besproken. De deelnemers zonder hersensbeschadiging (NBD = non-brain-damaged) deden de het begripsonderdeel van de tijdsverwijzingstest TART (Test for Assessing Reference of Time) in zijn geheel, met een taak voor aspectuele en voor lexicale bijwoorden van tijd. De agrammatische deelnemers hadden op groepsniveau significant slechtere resultaten dan de NBD op zowel de taak met aspectuele bijwoorden als de taak met lexicale bijwoorden. Op individueel niveau scoorden vijf agrammatische deelnemers significant slechter dan de NBD op beide taken. Bij de agrammatische deelnemers was er een sterke onderlinge correlatie tussen de scores op beide taken. Met andere woorden: ze hebben in gelijke mate een stoornis in het begrijpen van zowel zinnen met aspectuele bijwoorden als van zinnen met lexicale bijwoorden van tijd. Op beide niveaus in beide taken was er geen tijdsraam selectief gestoord. We schrijven dit toe aan het feit dat het gebruik van bijwoorden in SI fakultatief is en dat deze bijwoorden worden gebruikt als de context niet genoeg tijdsinformatie verzorgt. Daarom zijn alle bijwoorden even kwetsbaar in begripskwesties. Gebaseerd op deze resultaten kunnen we de de eerste en tweede onderzoeksvraag beantwoorden. Bij begripskwesties beïnvloeden de tijdsverwijzingproblemen beide tijdsverwijzingsmanieren en er zijn geen statistisch significante verschillen tussen de aspectuele en lexicale bijwoorden van tijd. Het onderzoek naar productie van tijdsverwijzing wordt in hoofdstuk 5 behandeld. Met dit onderzoek beoogden we de vier bovenstaande vragen te beantwoorden, met name met betrekking tot de vergelijking van de resultaten met die van de begripstudie. Hier tonen de resultaten aan dat de agrammatische deelnemers ook problemen hebben met het produceren van zinnen die aspectuele en lexicale bijwoorden van tijd bevatten. Bij productie lijkt het of er een kwalitatief verschil is tussen de twee soorten bijwoorden waardoor er een grotere neiging is de lexicale bijwoorden te vervangen door aspectuele bijwoorden dan andersom. We suggereren dat dit wegens het verwijzende karakter van lexicale bijwoorden van tijd is, waardoor de deelnemers het linguïstische niveau en de context aan elkaar moeten koppelen. De niet-verwijzende aspectuele bijwoorden vereisen deze koppeling niet. Maar omdat de NBDs geen plafondeffect in hun scores vertonen, lijkt het zo te zijn dat de productietest niet optimaal is voor SI en trekken we verder geen conclusies. Hoofdstuk 6 behandelt een vergelijking tussen de vier in de vorige hoofdstukken besproken studies. Vijf agrammatische deelnemers namen deel aan de drie tijdsverwijzingsonderzoeken en drie van hen zijn zwak in alle onderzoeken. Dit betekent dat deze vijf agrammatische deelnemers de verschijnselen van compensatie van hoofdstuk 3 vertonen, maar slechts drie van hen zwak zijn in begrip en productie. In hoofdstuk 7 worden de resultaten besproken met betrekking tot de literatuur en er worden een paar suggesties voor aanpassing van de twee theorieën gedaan. 1. Er is een specifieke moeite in het verwijzen naar het verleden als de tijdsverwijzing verplicht is gemarkeerd (bijv. in het Engels, Nederlands). 2. Het verwijzen naar het verleden is niet bijzonder moeilijk als de tijdsverwijzing facultatief is gerealiseerd en wordt gebruikt om de gebeurtenis aan de context te koppelen. 3. In het geval van de facultatieve tijdsverwijzingmarkeerders, zouden de markeerders die meer integratie met het context-niveau vereisen problematischer zijn dan die markeerders die dat minder vereisen, tenminste in productie. Deze revisie zal eerst in andere talen getoetst moeten gaan worden. Wegens het belang om de kennis op het gebied van afasiologie te vergroten en afasietherapie te verbeteren, geloven we dat onze resultaten een stimulans kunnen zijn meer onderzoek te doen naar SI, andere Indonesische dialecten en andere Austronesische talen.
Original languageEnglish
QualificationDoctor of Philosophy
Supervisors/Advisors
  • Bastiaanse, Yvonne, Supervisor
Award date7-Jun-2012
Place of PublicationGroningen
Publisher
Print ISBNs9789036755412
Electronic ISBNs9789036756150
Publication statusPublished - 2012

Keywords

  • Proefschriften (vorm)
  • Tijd
  • Afasie
  • Neurolinguïstiek
  • Agrammatisme
  • Indonesische en Maleisische taal- en/of letterkunde
  • patholinguïstiek

Cite this