Tribes and territories in transition: the central east Jordan Valley and surrounding regions in the Late Bronze and Early Iron Ages

Eveline Johanna van der Steen

Research output: ThesisThesis fully internal (DIV)

4506 Downloads (Pure)

Abstract

Inleiding De vroege IJzertijd in de zuidelijke Levant wordt vaak omschreven als de ‘donkere eeuwen’. Deze periode, die loopt vanaf het einde van de Late Bronstijd tot het begin van de koninkrijken van Juda, Israel, Moab en Ammon kent weinig tot geen literair/historische bronnen, en de bronnen die er zijn, of die betrekking hebben op deze periode, lijken de archeologische bronnen te weerspreken. Niettemin zijn beide, de archeologische en de literair/historische bronnen, voortgekomen uit dezelfde maatschappij, zij het mogelijk uit verschillende segmenten van die maatschappij. Het doel van deze studie is, een model te presenteren dat beide bronnen, de literair/historische en de archeologische, integreert tot één geheel. Dit model gaat uit van de premisse dat de samenleving van de Levant, in elk geval vanaf de Vroege Bronstijd, een tribale samenleving geweest is, bestaande uit een conglomeraat van stammen, en die kan worden gedefinieerd door de volgende eigenschappen: - Loyaliteit aan de eigen groep: de familie, de clan en tenslotte de stam. Deze loyaliteit was tweezijdig: de stam droeg tegelijkertijd verantwoordelijkheid voor haar leden. Deze wederzijdse loyaliteit werd geformaliseerd door het creeren van genealogische verbanden, stambomen, die werden aangepast naarmate de omstandigheden dat ‘vereisten’. De term khawa, betaling voor het recht om, al dan niet tijdelijk, in het territorium van een stam te verblijven, betekent ook letterlijk ‘broederschap’. Ook in periodes van stabiliteit en een sterke regering hield deze tribale structuur niet op te bestaan. - Flexibiliteit in leefwijze. De manieren waarop leden van een stam in hun onderhoud voorzagen waren flexibel, en voegden zich naar de economische, ecologische en politieke omstandigheden. Jacht, veeteelt (schapen, geiten en kamelen), landbouw, maar ook huurlingschap, smokkel, handel en dergelijke behoorden tot de economische activiteiten van de stammen. Deze flexibiliteit was een belangrijke factor in de economisch onafhankelijke samenleving die kenmerkend was voor de Arabische stammen van de 19e eeuw n.Chr., en die zich in de praktijk onttrok aan de macht van het Ottomaanse rijk. - Mobiliteit. Door de aard van hun economische bezigheden waren stammen mobiel. Tegelijkertijd hadden ze een band met hun territorium, dat een wijd groot gebied kon bestrijken. Territoria waren nooit het eigendom van stammen. Deze konden er slechts rechten op uitoefenen zolang zij zich in het territorium bevonden. Territoria werden dan ook gedeeld door verschillende stammen. - Onderlinge relaties tussen stammen. Wisselwerking in positieve zin was het gedeelde gebruik van territoria of bronnen, vaak geformaliseerd door middel van khawa, en verder de vorming van coalities en confederaties tussen stammen. Negatieve contacten waren rooftochten (ghazu’s), en in extreme gevallen soms stammenoorlogen. Deze konden leiden tot veranderingen in de onderlinge machtsverhoudingen en regelmatig tot veranderingen in de territoriale verdeling van het land. De Late Bronstijd De Jordaanvallei De meeste historische bronnen uit de Late Bronstijd zijn van Egyptische oorsprong. Het Egyptische Rijk controleerde een groot deel van de zuidelijke Levant, met als voornaamste doel het veiligstellen van de handel met Mesopotamie. Dat betekent dat er geen reden was voor Egypte om de sociale en politieke structuur van het gebied ingrijpend te wijzigen. Het autochtone systeem van stadstaten bleef bestaan, waarbij de loyaliteit van de koningen van de stadstaten op verschillende manieren gewaarborgd kon worden. De handelsroute naar het zuiden liep vanuit Egypte langs de kust, dan landinwaart en via Beth Shean naar de andere zijde van de Jordaan, langs Pella en Deir 'Alla, en via de Wadi Zerqa naar de vlakte van Amman, waar een handelsknooppunt was. Pella was, zoals blijkt uit de Amarnabrieven en de archeologische resten, een stadstaat onder supervisie van Egypte. Het was een belangrijk knooppunt omdat het de oostzijde bewaakte van de doorsteek door de Jordaan, een kwetsbare etappe op de route. Een andere nederzetting ten zuiden van Pella, Abu Kharaz, was een welvarende nederzetting in de eerste helft van de Late Bronstijd, maar hier zijn geen Egyptische resten gevonden. Vanaf het einde van het Midden Brons neemt de gevestigde bewoning af, en als gevolg daarvan wordt vaak een toename in de nomadische bevolking verondersteld. Het gebied rond Pella was nauwelijks bewoond. Archeologisch materiaal en surveyresultaten laten zien dat de bewoning zich voornamelijk beperkte tot de stad zelf. Deze situatie kan vergeleken worden met die in Transjordanie in de 19e eeuw n.Chr., toen Salt de enige bewoonde stad was in de Belqa. Deze stad stond onder beheer van een coalitie van Bedoeinenstammen, en had een marktfunctie voor de regio, evenals voor de export van goederen naar de westzijde van de Jordaan. In de Jordaanvallei zelf was de gevestigde bewoning geheel verdwenen, tengevolge van de rooftochten en de uitbuiting door de Bedoeinen. De Ottomaanse regering stond machteloos tegenover deze praktijken. In een vergelijkbare situatie moest Pella als versterkt station op de handelsroute, de oversteek van de Jordaan beschermen. Van Pella ging de route naar het zuiden, in de richting van Deir 'Alla. Deir 'Alla was al in het begin van de Late Bronstijd een heiligdom, en vermoedelijk was het in die tijd onafhankelijk. Rondom Deir 'Alla zijn verschillende kleine nederzettingen gevonden, en een begraafplaats bij Kataret es-Samra. Tell el-Hammeh, een kleine kampplaats aan de ingang van de W. Zerqa, vertoont alle kenmerken van een tijdelijk station, maar het aardewerk dat er gevonden is is van hoge kwaliteit. Dit suggereert de mogelijkheid dat Hammeh kampplaats was voor handelaars die door de Zerqavallei trokken. Deze constellatie van nederzettingen doet vermoeden dat de regio rond Deir 'Alla een tribaal centrum vormde, dat tevens een functie had in de Egyptisch – Transjordaanse handelsroute. Moab en de hoogvlakte van Amman in de 14e eeuw Door de Wadi Zerqa werd de hoogvlakte van Amman bereikt. Er zijn geen literair/historische bronnen van of over de hoogvlakte, maar het archeologisch repertoire duidt op contacten zowel met het westen als met Syrie. Het is daarom waarschijnlijk dat ook de hoogvlakte van Amman een handelsknooppunt vormde op de Egyptisch – Transjordaanse handelsroute. Aan de oostelijke ingang tot de Wadi Zerqa bevond zich een heiligdom, Khirbet Umm ed Dananir, met grotten waarin meervoudige begraving plaats vond. Het vermoedelijke administratieve centrum was Sahab, al in het begin van het Laat Brons een ommuurde stad met openbare gebouwen. Het archeologisch repertoire laat zien dat dit gebied bewoond werd door een Canaanitische bevolking, terwijl ook Syrische invloeden aanwezig zijn. Aanwijzingen voor controle vanuit Egypte ontbreken geheel. Deze situatie is vergelijkbaar met die in Gaza en Hebron in de 19e eeuw n.Chr., beide handelsknooppunten die onder controle stonden van leidende stammen in de regio, die tevens de land- en tuinbouw in de regio controleerden. In het gebied van Moab zijn uit deze periode geen aanwijzingen voor gevestigde bewoning gevonden. Literair/historische bronnen doen vermoeden dat dit gebied territorium van Šasu stammen was. Hoewel het voornaamste territorium van deze stammen in Edom lag, is het waarschijnlijk dat ook Moab een Šasu bevolking had. De Amarnabrieven De Amarnabrieven uit het midden van de 14e eeuw zijn een bron van politieke en economische informatie over de zuidelijke Levant. Ze zijn geschreven door de hoofden van stadstaten, gericht aan de Egyptische Farao, en bevatten verslagen van politieke intrigues en verzoeken om militaire hulp. Niet duidelijk is of deze brieven duiden op een economische en sociale achteruitgang in de regio, zoals sommige onderzoekers menen, of dat ze deel uitmaken van de normale diplomatieke correspondentie van deze tijd. De materiele cultuur van deze periode duidt niet op een structurele achteruitgang. De brieven werpen vooral licht op de verdeelde loyaliteiten van de vazalstaten. Het gebied werd bewoond door een gemengde bevolking van stedelingen, dorpelingen en veehoudende nomaden, die samen een maatschappij vormden waarin de sociale verhoudingen werden bepaald door tribale loyaliteiten. De Habiru, een groep sociale outcasts, maakte deel uit van deze maatschappij. Uit de brieven blijkt onder meer dat Pella niet bepaald een loyale vazal van Egypte was. Het werd beschuldigd van het ophouden van een handelskaravaan. Pella was via familierelaties verbonden met Shechem. Shechem werd door de andere stadstaten beschuldigd van banden met de Habiru. De Jordaanvallei in de 13e eeuw In Beth Shean zijn twee stelae gevonden uit de 13e eeuw, uit de regeringsperiode van Seti I. Beide stelae getuigen van onrust in de regio: - De eerste stele beschrijft een locale oorlog tussen de Habiru uit het noorden en ‘Aziaten’ uit het oosten, gevoerd in de Jordaanvallei. Dergelijke rooftochten waren algemeen in de 19e eeuw n.Chr. De Beni Sakhr uit het noorden en de Howeitat uit Edom roofden regelmatig elkaars kamelen, en beschrijvingen van dergelijke ghazus zijn algemeen in 19e eeuwse reisverslagen. - De tweede stele beschrijft een samenzwering tussen Pella en Hamath tegen Beth Shean. Hieruit blijkt niet alleen dat Egypte haar invloed in Pella verloren had, maar ook dat Pella rooftochten organiseerde ten westen van de Jordaan. Uit het feit dat Egypte geen strafexpeditie naar Pella stuurde kan geconcludeerd worden dat deze situatie geaccepteerd werd, en dat Egypte pogingen ondernam om Pella weer onder controle te krijgen.. Het archeologisch repertoire laat zien dat de stad in deze tijd een aantal veranderingen onderging: een Egyptisch openbaar gebouw kreeg een woonfunctie, en er werd een nieuw openbaar gebouw neergezet. In dezelfde periode werd de tempel van Abu Kharaz, ten zuiden van Pella, verlaten. In een poging de handelsroute op veilige afstand langs Pella te leiden, werd de oversteek over de Jordaan naar het zuiden verplaatst, en hier werd een nieuwe versterking gebouwd, Tell es-Sa’idiyeh, 12 km ten noorden van Deir 'Alla. Zowel de architectuur van de gebouwen als de bijzettingen op de begraafplaats van Sa’idiyeh vertonen sterke Egyptische invloeden. Deze wijziging in de handelsroute had ook invloed op de functie van de regio rond Deir 'Alla. De archeologische vondsten in het heiligdom laten zien dat Egypte nu dit deel van de handelsroute onder controle had. Dit wordt ook bevestigd door de sterke toename van het aantal nederzettingen in de regio, die suggereert dat de veiligheid in het gebied toegenomen was. Moab en de hoogvlakte van Amman in de 13e eeuw De 13e eeuw is grotendeels de eeuw van Ramses II. Verschillende topografische lijsten uit zijn regeringsperiode noemen voor het eerst plaatsnamen in Moab, hoewel de identificatie van die plaatsnamen nog onzeker is. De toegenomen interesse van Egypte in de regio kan duiden op toenemende onrust in het westen, waardoor Egypte op zoek ging naar nieuwe routes naar het noorden. Duidelijk is in elk geval dat Egypte contact zocht met de Šasu stammen, en hen probeerde te integreren in een machtsstructuur op de hoogvlakte van Moab. De Balu’a stele, een afbeelding van een plaatselijke heerser die een staf overhandigd krijgt van twee Egyptische goden, weerspiegelt deze nieuwe situatie. De resultaten van de survey van Miller, die overigens met enige voorzichtigheid bekeken moeten worden, duiden op een mogelijk toenemende vestiging tegen het einde van de Late Bronstijd. Zeker is wel dat verschillende nieuwe (versterkte) nederzettingen gesticht werden aan weerszijden van de W. Mujib, zoals Ara’ir en mogelijk Lehun. Een mogelijke parallel voor deze situatie kan gevonden worden in de invoering van de Landwetten van 1858 door de Ottomaanse regering. Deze wetten integreerden de stammen van de regio in het regeringsapparaat door hen hun territorium in effectief eigendom te geven, met de verplichting van belastingbetaling. Het resultaat was een toename in gevestigde bevolking en landbouw in de regio. Deze wetten waren succesvol omdat de plaatselijke bevolking profiteerde van de succesvolle uitvoering ervan. Ook de hoogvlakte van Amman werd in de 13e eeuw gekenmerkt door een toename in nederzettingen, en een toename van noorderlingen in de regio. Umeiri was een belangrijke nieuwe Kanaanitische nederzetting, terwijl het in deze tijd gebouwde Amman Airport Building, dat de functie had van heiligdom en/of crematorium, en een fort bij Mabrak duidelijk noordelijke invloeden in de architectuur vertonen. Het centrum Sahab bleef onveranderd voortbestaan, waaruit blijkt dat de politieke constellatie van het gebied niet structureel veranderde. Duidelijk is in elk geval dat de plaatselijke bevolking en de noorderlingen in goed verband samenwerkten. De 12e eeuw in Moab en op de hoogvlakte van Amman Het begin van de 12e eeuw wordt in de hele zuidelijke Levant gekenmerkt door een plotselinge toename van het aantal kleine, veelal agrarische nederzettingen. Hiervoor zijn verschillende verklaringen gezocht, die varieren van een klimaatsverandering tot structurele overbevolking. Een ‘overkoepelende’ oorzaak zal gezocht moeten worden in de internationale politieke ontwikkelingen, die ook de Zeevolken naar de Palestijnse kust brachten. Hoe deze internationale ontwikkelingen de verschillende bewoningscentra hebben beinvloed zal echter per regio bekeken moeten worden. Ook in Moab is een plotselinge toename van het aantal nederzettingen geconstateerd, wat duidt op een verstoring van het economische en sociaal evenwicht in de regio. Een aantal van deze nederzettingen is opgegraven. Ze waren over het algemeen versterkt, een teken dat het land nog verre van veilig was. De directe oorzaak hiervoor is mogelijk te vinden op de hoogvlakte van Amman. Het archeologisch repertoire op de hoogvlakte getuigt van plotselinge veranderingen: Umeiri werd onverwacht overvallen en verwoest, het Amman Airport Building kreeg een nieuwe functie, en raakte korte tijd later buiten gebruik. Sahab werd plotseling veel groter. Duidelijk is dat de infrastructuur van het gebied instortte. Mogelijk was dit een gevolg van het instorten van de handel met het noorden, ten gevolge van dezelfde internationale politieke ontwikkelingen die leidden tot de komst van de Zeevolken in het westen. Resultaat was dat de traditionele bronnen van inkomsten – handel en gerelateerde bronnen – verdwenen, en in de strijd om het voortbestaan werden de oude tribale structuren opnieuw van belang, evenals oude territoriale claims. De verschillende groepen reageerden verschillend op de situatie. Een deel vluchtte naar de stad, zoals de uitbreiding van Sahab suggereert. Anderen begonnen landbouw en veeteelt te bedrijven op kleine schaal. Weer anderen verlieten het gebied. Een deel van de bevolking trok mogelijk naar het zuiden, wat leidde tot nieuwe nederzettingen en mogelijk politieke onrust in Moab. Een deel ging naar het westen. De 12e eeuw in de Jordaanvallei De handel tussen de regio van Deir 'Alla en de hoogvlakte van Amman werd gedreven door locale handelaars, die relaties hadden met het marktcentrum in de Vallei. Een dergelijke vorm van handel is bekend uit de 19e eeuw n.Chr., tussen Salt, Nablus en Jeruzalem, of tussen Kerak en Hebron. Toen de infrastructuur op de hoogvlakte instortte zal een aantal van deze handelaars hun toevlucht gezocht hebben in de Deir 'Alla regio. Hier bleef, vermoedelijk dank zij de supervisie van Egypte, de infrastructuur nog functioneren, zij het niet voor lang meer. Een aantal nieuwe nederzettingen werd gesticht langs de benedenloop van de Zerqa. De bewoners van deze nederzettingen waren geen nomaden die leerden zich te vestigen. Ze brachten een ontwikkelde cultuur met zich mee, tradities en vaardigheden, zoals ook blijkt uit het archeologisch repertoire van Deir 'Alla in deze periode. De plotselinge toename in bevolking moet echter een zware druk gelegd hebben op het reeds dichtbevolkte gebied. Met het instorten van de handelsfunctie verloor Egypte zijn belangstelling, en verliet de regio, zoals blijkt uit de archeologische overblijfselen op Deir 'Alla en Sa’idiyeh. Pella werd verwoest in deze periode. De gebeurtenissen van de hoogvlakte van Amman herhaalden zich nu in de regio Deir 'Alla. Verschillende nederzettingen, evenals de tempel in Deir 'Alla en het fort van Sa’idiyeh, werden verlaten. De nieuw gebouwde verdedigingswerken op Deir 'Alla, en het feit dat deze vrijwel direct weer verwoest werden, duiden op territoriumstrijd in de regio. De nederzettingen die verlaten werden behoorden tot de oudste in de regio, wat erop duidt dat de oorspronkelijke bewoners het gebied verlieten. Blijkbaar hadden zij de strijd om het territorium verloren van de nieuwkomers. De literair/historische bronnen, en de archeologische bronnen suggereren dat deze groep, of in elk geval een deel ervan, de Jordaan overstak en zich ten westen ervan vestigde, wellicht samen met een deel van de bevolking die van de hoogvlakte van Amman was gekomen. Het westelijk hoogland in de 12e eeuw Een inscriptie van Farao Merneptah uit het einde van de 13e eeuw noemt voor het eerst de naam ‘Israel’: “Israel is verwoest, zijn zaad is niet meer”. De inscriptie suggereert dat Israel een agressieve groep was, en door Egypte als vijand werd beschouwd. Israel wordt hier genoemd in een rij van traditionele tegenstanders van Egypte. Deze groep is regelmatig in verband gebracht met de Šasu. Over het algemeen wordt verondersteld dat dit ‘Israel’ dezelfde groep was die verantwoordelijk is voor de vroegste Ijzertijd nederzettingen in het westelijk bergland. Een vergelijking tussen het – agressieve - karakter van Merneptah’s Israel, zoals dat door de inscriptie wordt gekarakteriseerd, en dat van de – vreedzame – nederzettingen in het bergland maakt deze veronderstelling echter twijfelachtig. 19e eeuwse bronnen laten zien dat in het begin van de 19e eeuw n.Chr. de regio van de Belqa en Ajlun nauwelijks bewoond was. Dit was een gevolg van de agressieve praktijken van de Beni Sakhr en andere stammen. Pas nadat halverwege de 19e eeuw de Ottomaanse regering eindelijk kans zag deze macht te beteugelen, ontstond een machtsvacuum in het gebied, dat snel werd opgevuld door de vestiging van nieuwe groepen, van zowel kleinere stammen als nieuwkomers in de regio. Het Israel van Merneptah vertoont meer overeenkomst met een agressieve stam zoals de 19e eeuwse Beni Sakhr, dan met vreedzame boeren. Het had het bergland geterroriseerd, en vestiging onmogelijk gemaakt. Uiteindelijk maakte Egypte een einde aan deze macht van Israel, en er ontstond een machtsvacuum in het bergland, waarin zich de nieuwkomers van de overzijde van de Jordaan konden vestigen. De vestigingen in het bergland zijn zelden versterkt, wat duidt op een vreedzaam samenleven van deze groepen. Het archeologisch repertoire van de vindplaats op de berg Ebal is nog een onderwerp van discussie. De opgraver stelt dat hier sprake is van een tribaal heiligdom met twee fasen, waarvan de tweede rond het begin van de 12e eeuw begint. In dat geval zou de eerste fase overeenkomen met de aanwezigheid van Israel in het gebied, en toebehoren aan Israel. De tweede fase komt dan overeen met de bewoning door de nieuwkomers, die het heiligdom opnieuw gewijd en in gebruik genomen hebben. Israel was verslagen, maar niet verdwenen, net zo min als de Beni Sakhr ooit van het toneel verdwenen zijn. Uiteindelijk hebben ze een deel van hun vroegere macht teruggewonnen, en hun naam gegeven aan een nieuwe coalitie, die uitmondde in het Verenigd Koninkrijk
Original languageEnglish
QualificationDoctor of Philosophy
Awarding Institution
  • University of Groningen
Supervisors/Advisors
  • Noort, Ed, Supervisor
Award date19-Dec-2002
Place of PublicationGroningen
Publisher
Publication statusPublished - 2002

Keywords

  • Jordanië
  • Tribale groepen
  • IJzertijd
  • Bronstijd
  • 11.35

Cite this