Vrouwen, een minderheid? Literatuuronderzoek naar genderverschillen in neurofysiologisch onderzoek en verslag van een mainstreaming project van het biologie -onderwijs aan de Rijksuniversiteit Groningen.

  • [No Value] Pol-Meijer Margriet M. Th. van der
  • , Maureen E. Butter

    Research output: Working paperAcademic

    1210 Downloads (Pure)

    Abstract

    Dit rapport doet verslag van een gender mainstreaming project in het medisch biologisch onderwijs aan het Opleidingsinstituut Biologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Aanleiding tot dit project vragen van WECF (Women in Europe for a Common Future) over genderverschillen met betrekking tot gezondheid en milieu. Daar bleek naar verhouding weinig over bekend, zowel wat betreft biologische verschillen in gevoeligheid als wat betreft verschillen in blootstelling. Alleen reproductietoxicologie is voor vrouwen en vrouwelijke proefdieren behoorlijk goed onderzocht, maar daar ontbreekt weer veel kennis over mannen. In fundamenteel fysiologisch onderzoek is de mannelijke rat veruit het populairste proefdier. Meer fundamenteel onderzoek aan vrouwelijke proefdieren zou belangrijk kunnen zijn om op langere termijn het kennistekort over verschillen in gevoeligheid in te lopen. Het onderwijs leek een geschikt startpunt om belangstelling te wekken. Hiertoe werd geinventariseerd in hoeverre er sprake was van een scheve gender balans, en wat ervoor nodig zou zijn om genderverschillen meer tot hun recht te laten komen in het onderwijs. Onderzoek aan de database voor medisch fysiologisch onderzoek laat zien, dat er op het terrein van humaan en klinisch farmaceutisch onderzoek zich de laatste jaren een kentering aftekent: er is meer interesse voor genderverschillen. In het fundamentele (proefdier) onderzoek daarentegen is de trend omgekeerd, de laatste tien jaar is de verhouding alleen maar schever geworden. Sommige ziekten, bijvoorbeeld anorexia nervosa en depressie, komen veel meer bij vrouwen voor dan bij mannen, maar worden toch hoofdzakelijk bestudeerd aan mannelijke proefdieren. Het is zeer wel mogelijk, dat milieuvervuiling verschillend uitpakt voor de verschillende seksen, maar bij gebrek aan gegevens kan daar weinig over gezegd worden. Wel is duidelijk, dat sekseverschillen zich niet beperken tot voortplantingsfuncties. Zij doen zich over de hele linie voor, vanaf het moleculaire niveau tot en met algemene fysiologische regulatie en organisatie van het centraal zenuwstelsel. De redenen voor de geconstateerde voorkeur voor mannelijke proefdieren, ook in het onderwijs, zijn vooral van praktische aard. Het meest genoemd werd de vrouwelijke cyclus als bron voor extra variatie. Daardoor zijn meer proefdieren nodig, en meer experimenten. Dat kan ook ethische consequenties hebben, immers men mag niet onnodig veel proefdieren gebruiken. Maar wegens de grotere vraag naar mannelijke dieren is er een 'biologisch overschot' aan vrouwtjes. Deze worden uiteindelijk ook doodgemaakt, en dan dikwijls alsnog gebruikt voor experimenten met dood materiaal, of als diervoer. De mannelijke rat is hanteerbaarder dan het vrouwtje. Daarom zijn veel proefopstellingen niet zonder meer geschikt voor het gebruik van vrouwelijke dieren. Er zijn dus nieuwe investeringen nodig, plus een hoop werk in het vaststellen van fysiologische parameters, omdat deze immers bij mannetjes en vrouwtjes verschillen. Praktisch gesproken is het vrouwtje een andere diersoort, met alle moeilijkheden vandien. Dat zou op zichzelf overigens een argument zijn, om de sekseverschillen juist wel te onderzoeken. Het eerste deel van dit rapport vat de resultaten van het project samen. Het tweede deel gaat uitvoerig in op gender onevenwichtigheden in fundamenteel en toegepast onderzoek, en op genderverschillen in neurofysiologie. In het slothoofdstuk worden enige syggesties gedaan voor studentenprojecten. De belangrijkste conclusies van dit deel zijn, dat onderzoek naar genderverschillen meer aandacht waard is, zowel in fundamenteel als in klinisch onderzoek. Zowel de wetenschappelijke als de maatschappelijke belangen rechtvaardigen het gebruik van extra proefdieren. Gedragsfysiologie leent zich bij uitstek om de grenzen te verkennen tussen fysiologische en maatschappelijke invloeden op het gedrag. Genderverschillen in gevoeligheid voor milieubederf zijn nog slechter onderzocht dan verschillen in gevoeligheid voor medicijnen. In het bijzonder de activerende (korte termijn) werking van hormonen op membraangebonden receptoren verdient aandacht.
    Original languageDutch
    Number of pages56
    Publication statusPublished - 2003

    Cite this