Menaldumadeel Marssum Vindplaats 1 'It Aldlan' Proefsleuven

  • A. Van Benthem (Creator)
  • J. Dijkstra (Contributor)
  • J. van Dijk (Contributor)
  • K. Hänninen (Contributor)
  • M. J. A. Melkert (Contributor)
  • W. F. Reigersman-van Lidth de Jeude (Contributor)
  • P. T. A. de Rijk (Contributor)
  • Mans Schepers (Contributor)
  • F. Verbruggen (Contributor)
  • F. S. Zuidhoff (Contributor)

Dataset

Description

ADC ArcheoProjecten heeft een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Haak om Leeuwarden, locatie Marssum, vindplaats 1. De Haak om Leeuwarden wordt uitgevoerd om de verkeersdoorstroming te bevorderen en om de ringweg van Leeuwarden te ontlasten. Hiervoor zal, onder andere, een nieuwe verbindingsweg worden aangelegd die de N31 en A32 aansluit op de A31 ten zuidwesten van Marssum. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn sporen aangetroffen die dateren uit de Late IJzertijd/Vroeg- Romeinse tijd (Romeinse IJzertijd), de Midden-Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Tijdens het onderzoek zijn er behalve een tweetal concentraties paalkuilen, die mogelijk aan structuren hebben toebehoord, geen structuren zoals gebouwplattegronden herkend. De concentraties paalkuilen worden aan de hand van het erin aangetroffen aardewerk in de Late IJzertijd/Vroeg-Romeinse tijd gedateerd. Uit dezelfde periode is een bijzondere kuil aangetroffen. In deze kuil werden incomplete skeletten van een hond, schaap, paard en rund aangetroffen. Een rituele depositie, zoals een bouwoffer, is niet uit te sluiten vanwege het ontbreken van snij- en haksporen op de botten. Het aantreffen van aardewerk uit de Midden-/Late IJzertijd suggereert dat ook in deze periode mensen actief waren in het gebied. Sporen uit deze periode zijn echter niet aangetroffen. Tegen de verwachting in zijn in geen van de proefsleuven terpophogingen gevonden. Er zijn echter wel enkele aanwijzingen voor de aanwezigheid van een terp (of wellicht twee terpen). Ter hoogte van een nog fysiek aanwezige hoogte in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied zijn in het oostelijk deel van put 4 lagen aangetroffen die niet in het westdeel van put 4 of de putten 1, 2 en 3 aanwezig zijn. Mogelijk kunnen de lagen in verband worden gebracht met de aanwezigheid van een terp. Tijdens het booronderzoek net ten noorden van dit deel van het profiel zijn echter geen terpophogingen gezien. Aan de westzijde van het onderzoeksgebied zijn een aantal sloten en greppels aangetroffen die een oriëntatie hebben alsof ze iets omsluiten. Diverse greppels vertonen een lichte bocht. Het gebied dat mogelijk omsloten wordt, zou dan precies ter hoogte van de huidige dam met aan weerszijden sloten kunnen liggen die het gebied tussen de sleuven 1-2 en 3-4 scheiden. Wellicht betreffen de sloten terpsloten, waarbinnen zich mogelijk een terp met bewoning, of de kern van nederzetting zich bevindt. De vraag die tijdens dit onderzoek is gerezen, is of het bouwen van een terp of huispodium noodzakelijk was in dit gebied in deze perioden. De top van de kwelderafzettingen ligt in het westelijke deel van het plangebied (put 1) op het niveau van een lage kwelder. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied ligt op het niveau van de overgang van een lage naar midden kwelder. Een lage kwelder overstroomd tussen de 50 en 100 dagen per jaar (een midden kwelder kent iets minder overstromingsdagen) en is dus zonder ophoging niet geschikt voor permanente bewoning. De aangetroffen sporen zouden van een seizoensgebonden vlaknederzetting afkomstig kunnen zijn, maar tot op heden zijn deze nog niet aangetroffen in Westergo. Het aantreffen van smeedslak, ovenwanden, veel aardewerk, paalkuilen, vermoedelijke waterputten en rituele dierbegravingen suggereert een permanente bewoning in tegenstelling tot seizoensgebonden bewoning. De resultaten van het huidige onderzoek geven in ieder geval aan dat er in de nabijheid van de proefsleuven bewoning in meerdere perioden heeft plaatsgevonden. Of deze bewoning op een, (of meerdere) terp(en) plaatsvond, kan aan de hand van het huidige onderzoek niet worden vastgesteld. Gezien het feit dat de sporen zijn aangetroffen op het niveau van een lage kwelder en het gebied dus een groot deel van het jaar overstroomde, lijkt het echter aannemelijk dat hier sprake is van de periferie van een terp, of meerder terpen. Het is dus mogelijk dat er zich in het gebied twee terpen hebben bevonden: één ten noorden van put 4 en één ten oosten van put 2. Vervolgonderzoek zal moeten uitwijzen of het werkelijk om terpen gaat. De hoge score van de waardering betekent dat de vindplaats behoudenswaardig is en in situ behouden zal moeten worden, danwel door planaanpassing buiten het tracé van de nieuwe weg gehouden zal moeten worden. Als dit niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd de vindplaats geheel archeologisch te onderzoeken in de vorm van een opgraving (DAO).
Datum van beschikbaarheiddec-2014
UitgeverEASY

Citeer dit