Jolanda van der Lee

Als u wijzigingen in Pure hebt gemaakt, zullen deze hier binnenkort zichtbaar zijn.

Persoonlijk profiel

Speerpunten

Onderzoek Ecce homo: Tussen Sodoms zondaar en schepsel Gods
De verwerking van het wetenschappelijke discours over 'contrair sexualen' [o.a. homoseksuele en transgender personen] door katholiek en protestant Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw

Eind negentiende eeuw observeerden Europese medici die betrokken waren bij rechtszaken dat er mannen waren die van andere mannen hielden. Toen zij deze observatie in verband brachten met een aangeboren vrouwelijkheid van deze mannen betekende dat de start van een medisch discours over de relatie tussen seksueel gedrag en geestesgesteldheid. Uiteindelijk leidde dit tot de wetenschappelijke vaststelling van de  medische categorie van de conträre Sexualempfindung of l’inversion sexuelle. Tot deze categorie behoorden mensen die zich nu zouden kunnen identificeren als homoseksueel of transgender. Vanaf toen was seks hebben met of verliefd zijn op iemand van hetzelfde biologische geslacht niet langer een kwestie van anders doen, maar van anders zijn. 
Psychiaters vonden de nieuwe seksuele identiteit van de 'contrair sexuaal' fascinerend en discussieerden over onderzoeksvragen als: Is het een aangeboren afwijking of is het een ziekte? En als dat zo is, is het besmettelijk? Is het te genezen? Ook minder fundamentele vragen werden beantwoord zoals: Verdragen 'contrair sexualen' alcohol? En roken ze?
Toen dit wetenschappelijke discours over 'contraire sexualiteit' in 1901 doordrong tot in de publieke ruimte bracht dit een specifiek probleem voor christenen mee: Hoe kon deze nieuwe kennis verenigd worden met het geloof? De Bijbel sprak alleen over anders handelen - een Bijbelse zonde begaan - niet over anders zijn (aangeboren 'contraire sexualiteit'). Wat te denken van homoseksuelen die helemaal geen homoseksuele daden wilden plegen? Konden zij ‘goede christenen’ zijn? En: waarom zou God mannen geboren laten worden die zich als vrouwen identificeerden? 
Kortom, het 
volstond voor christelijk Nederland niet langer 
liefdesbetrekkingen tussen mensen van hetzelfde biologische geslacht uitsluitend te beschouwen als een zonde. Gezien het feit dat tegenwoordig de overgrote meerderheid van christenen het bestaan van de homoseksuele identiteit en van de transgender identiteit accepteert, is katholiek en protestant Nederland erin geslaagd deze vragen te beantwoorden. 

Met mijn onderzoek wil ik een bijdrage leveren aan inzicht in hoe dit verwerkingsproces van het wetenschappelijke discours over 'contraire sexualiteit' door Nederlandse christenen verlopen is. Aan de hand van medische documenten, verslaglegging en publicaties in het kader van politiek en publiek debat en literatuur wil ik de allereerste fase van dit verwerkingsproces in beeld brengen.  Mijn centrale onderzoeksvraag is dan ook of en hoe katholiek en protestant Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw het wetenschappelijk discours over 'contraire sexualiteit' een plaats en invulling gaf binnen het eigen geloof.

 

Research: Ecce Homo: Between Sinner of Sodom and Creature of God
The processing of the scientific discourse on 'contrair sexualen' [among others homosexual and transgender people] by the Dutch Catholic and Protestant communities in the first decades of the 20th century

In the second half of the 19th century, European physicians who were involved in court cases, ͚found that there were men who loved other men. When they linked this observation to an inborn femininity of these men, this meant the start of a medical discourse on the relation between sexual acts and psychological traits. Eventually this led to the scientific establishment of a medical categorization of conträre Sexualempfindung or l’inversion sexuelle which included people who might now identify themselves as homosexual or transgender. From then on ͚having sex͛ and / or ͚being in love͛ with someone of the same biological sex was no longer a matter of acting differently͛, but a matter of ͚being different͛.
Psychiatrists were fascinated by this sexual identity of the 'contrair sexuaal' and discussed questions such as: Is it a congenital anomaly or is it a disease? And if so: Is it contagious? Is it curable? Also less fundamental questions were answered such as: Do 'contrair sexualen' tolerate alcohol? Do they smoke?
When this scientific discourse permeated into the Dutch public sphere in 1901 this caused a specific problem for Christians: How would they be able to fit this new knowledge into their belief system? The Bible only spoke about acting differently - committing a biblical sin - and not about being different - being a born 'contrair sexual'. What to think of homosexual men who did not have sex at all? Could they be ‘good Christians’? And: Why would God have created men who identified themselves as women?
In short, the Christian Netherlands were no longer able to solely regard same-sex sexuality as a sin. Given the fact that today, the major part of the Dutch Christians accept the existence of homosexual and transgender identities the Dutch Catholic and Protestant communities were apparently able to answer these questions.
My research aims to gain understanding of this processing of the scientific discourse on 'contraire sexualiteit' by the Dutch Christians. Based on medical documents, reports and publications in the context of political and public debate, and literature, I want to uncover the very first stage of this process.
My central research question is therefore whether and how the scientific discourse on ‘contraire sexualiteit’ was fit into the religious belief system of the Dutch Catholic and Protestant communities in the early decades of the twentieth century.