Samenvatting
Klachtprocedure ex art. 13a RO. Ontvankelijkheid klacht. Geen schending art. 12 RO. Het geven van een verklaring als partijdeskundige niet behoorlijk in de zin van art. 13f RO.
Klachten over een door verweerder (destijds als raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad werkzaam als waarnemend advocaat generaal) op verzoek van een procespartij uitgebrachte verklaring als partijdeskundige ten behoeve van een voor de Belgische rechter aanhangige procedure waarin klager wederpartij was, waarin verweerder een opinie heeft gegeven over de kans van slagen van een door klager geïnitieerde vernietigingsprocedure bij de Rechtbank Den Haag. 1. Het uitbrengen van zo’n verklaring is niet een gedraging die een ambtshandeling betreft, maar moet, nu het gaat om een door een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad gegeven verklaring van juridische aard die door een procespartij wordt ingebracht in een rechterlijke procedure, redelijkerwijs geacht worden in voldoende mate in verband te staan met de rechterlijke functie van verweerder om voor de toepassing van de klachtenregeling als nog behorend tot de uitoefening van de functie te kunnen worden aangemerkt. 2. De klacht dat verweerder art. 12 RO heeft geschonden is ongegrond. Ten tijde van het uitbrengen van de verklaring stond vast dat het geschil dat in de vernietigingsprocedure aan de orde was, gelet op het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens van zeventig jaren, niet aan verweerder als lid van de Hoge Raad zou kunnen worden voorgelegd. 3. De klacht dat verweerder door het geven van de verklaring zich niet behoorlijk heeft gedragen in de zin van art. 13f RO is gegrond. Het is in het algemeen ongewenst dat een lid van de Hoge Raad, ook als hij raadsheer in buitengewone dienst is, zich als partijdeskundige uitspreekt over de mogelijke uitkomst van een bij de Nederlandse rechter aanhangige procedure. Gelet op de feiten en omstandigheden van het geval komt de Hoge Raad tot het oordeel dat verweerder door het uitbrengen van zijn verklaring zich niet behoorlijk heeft gedragen in de zin van art. 13f lid 1 RO.
Klachten over een door verweerder (destijds als raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad werkzaam als waarnemend advocaat generaal) op verzoek van een procespartij uitgebrachte verklaring als partijdeskundige ten behoeve van een voor de Belgische rechter aanhangige procedure waarin klager wederpartij was, waarin verweerder een opinie heeft gegeven over de kans van slagen van een door klager geïnitieerde vernietigingsprocedure bij de Rechtbank Den Haag. 1. Het uitbrengen van zo’n verklaring is niet een gedraging die een ambtshandeling betreft, maar moet, nu het gaat om een door een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad gegeven verklaring van juridische aard die door een procespartij wordt ingebracht in een rechterlijke procedure, redelijkerwijs geacht worden in voldoende mate in verband te staan met de rechterlijke functie van verweerder om voor de toepassing van de klachtenregeling als nog behorend tot de uitoefening van de functie te kunnen worden aangemerkt. 2. De klacht dat verweerder art. 12 RO heeft geschonden is ongegrond. Ten tijde van het uitbrengen van de verklaring stond vast dat het geschil dat in de vernietigingsprocedure aan de orde was, gelet op het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens van zeventig jaren, niet aan verweerder als lid van de Hoge Raad zou kunnen worden voorgelegd. 3. De klacht dat verweerder door het geven van de verklaring zich niet behoorlijk heeft gedragen in de zin van art. 13f RO is gegrond. Het is in het algemeen ongewenst dat een lid van de Hoge Raad, ook als hij raadsheer in buitengewone dienst is, zich als partijdeskundige uitspreekt over de mogelijke uitkomst van een bij de Nederlandse rechter aanhangige procedure. Gelet op de feiten en omstandigheden van het geval komt de Hoge Raad tot het oordeel dat verweerder door het uitbrengen van zijn verklaring zich niet behoorlijk heeft gedragen in de zin van art. 13f lid 1 RO.
| Originele taal-2 | Dutch |
|---|---|
| Artikelnummer | NJ 2017/398 |
| Pagina's (van-tot) | 6155-6179 |
| Tijdschrift | Nederlandse Jurisprudentie |
| Volume | 2017 |
| Nummer van het tijdschrift | 45 |
| Status | Published - 2017 |
Rechtszaken
| Gerechtelijke instantie | Hoge Raad |
|---|---|
| Datum uitspraak | 30/06/2017 |
| ECLI ID | ECLI:NL:HR:2017:1188 |
| Case number | 16/05967 |
Citeer dit
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver