Een bijdrage tot de kennis van de experimentele tuberculeuze super-infectie bij de cavia

Jan Goslinga

Onderzoeksoutput

Samenvatting

Er werd een beschrijving gegeven van een in 1954 in het sanatorium "de KLOKKENBERG" te Breda verricht onderzoek, waarbij 37 caviae achtereenvolgens enkele malen met virulente, tegen bepaalde stoffen selectief resistent gekweekte tuberkelbacteriën, afgeleid van &n bepaalde, bij een van de patienten van het sanatorium geisoleerde humane stam, werden geïnfecteerd. Het onderzoek werd ingesteld, in de verwachting aan te kunnen tonen, dat, indien de primaire infectie met virulente tuberkelbacteriën had plaats gevonden, de bij de superinfectie ingebrachte bacteriën, bij inachtneming van de gebruikelijke voorwaarden wat betreft de dosering en het interval in tijd tussen de primaire infectie en de navolgende superinfecties, in het algemeen uit het organisme van de cavia zouden worden geëlimineerd. Het onderzoek is daarin niet geslaagd. Bij een doserïng van 1 / 100 milligram bacteriesuspensie intraperitoneaal, en een interval in tijd tussen de primaire infectie en de superinfecties, varierend van 5 tot 11 1 dagen, konden de bacteriën afkomstig van de superinfecties vrijwel zonder uitzondering cultureel gemakkelijk worden aangetoond. Bovendien waren er zeer duidelijke aanwijzingen, dat de bacteriën van de superinfecties niet alleen niet waren geëlimineerd, maar dat zij zich integendeel bij de reeds tuberculeuze cavia in belangrijke mate hadden kunnen vermeerderen, zulks geheel onafhankelijk van het interval in tijd tussen de primaire infectie en de superinfecties. In de loop van het experiment werd het duidelijk dat één van de varianten, n. 1. die welke tegen I. N. H. resistent as gekweekt, geleidelijk minder pathogeen werd voor de cavia. Het bleek nu, dat niet de primaire infectie met virulente tuberkelbacteriën beschermde tegen een navolgende superinfectie, maar dat de minst virulente bacteriën, onafhankelijk of deze afkomstig waren van de primaire infectie, dan wel van een superinfectie, geleidelijk door de bacterien met de grootste virulentie werden overwoekerd, waarbij de eerst genoemde meer en meer tekenen gingen vertonen van een geleidelijke overgang naar het latente stadium. Na de dierpassage groeiden de tegen I. N. H. resistente bacteriën zeer traag en de koloniën bleven zeer klein. De eenmaal verworven resistentie bleef daarbij bestaan. Tenslotte moet nog worden vermeld, dat de met de weinig virulente, tegen I. N. H-. resistente tuberkelbacteriën primair besmette caviae, bij een zeer late superinfectie met de meer virulente varianten, opvallend weinig ziekteverschijnselen vertoonden. Deze dieren verbleven tot op de dag waarop zij werden gedood, 136 dagen na de eerste infectie, in de beste welstand, zulks in lijnrechte tegenstelling tot de enorm uitgebreide afwijkingen in alle organen, welke bij de obductie werden gevonden. Uit deze organen konden de bacteriën afkomstig van de superinfecties in onbeperkte hoeveelheden op de directe culturen worden teruggekweekt. Het bleek dat de aldus behandelde caviae partieel refractair waren geworden tegen de aanwezigheid van enorme hoeveelheden, tevoren voor het proefdier zeer virulente tuberkelbacteriën. A description was given on a research, made in the health-re sort "de KLOKKENBERG" at Breda, in which 37 caviae had been successively infected several times with virulent tubercle bacteria, grown selectively resistent against certain chemical matters. These bacteria had been cultivated from one particular human strain, isolated from one of the patients of the sanatorium. The research was made in the expectation of being able toprove that, if the primary infection with virulent tubercle bacteria had taken place, the bacteria inserted with the superinfection, observing the usual conditions concerning dosing and the interval of time between primary infection and the following superinfection would be eliminated on the whole from the organism of the cavia. The research has not succeeded in proving this. With a dose of 1 /l00 milligram of bacteria-suspension given intraperitoneally and at an interval of time between the primary infection and the superinfection varying between 5 to 111 days, the bacteriafrom the superinfections could practically without an exception easely be traced cultur ally. Moreover there were very vlear indications that bacteria, resulting from the superinfections were not only not eliminated, but on the contrary had multiplied in no uncertain way in the cavia already tuberculous and this totally independent from the interval of time between the primary inf ection and the superinfections. It became clear however in the course of the experiment that one of the varieties, viz. the one grown as resistent against I. N. H., gradually became less pathogene for the cavia. It became evident that not the primary infection with virulent tubercle bacteri.a protected against a following superinfection, but the least virulent bacteria, independent of belonging to the primary infection or to one of the SUperinfections were gradually overgrown by the bacteria with the greater virulente, whereas the least virulent bacteria showed more and more signs of gradual transition into the latent stage. After having passed through the animal, the bacteria resistent against I. N. H. multiplied but very slowly and the colonies remained very small. However the resistence once obtained continued to exist. Finally must be stated that the caviae primarily infected with the weakly virulent tubercle bacteria, resistent against I. N. H. , when superinfected with the more virulent varieties after a considerably longer interval of time, showed but strikingly few morbid symptons. These animals, til1 the daythey were killed, 136 days after the first infection, were alive and kicking, such in striking contrast withthe enormously extensive lesions found at the obduction in al1 organs. From these organs,the bacteria resulting from the superinfections, could in unlimited quantities be recultivated on the direct cultures. It turned out that the caviae treated in this way had become partially refractair against the presence of enormous quantities of formerly for the test object very virulent tubercle bacteria.he maintenance costs. In the second model, embryonic maintenance was calculated first, and no assumptions were made on synthesis efficiency. The calculations show that assumptions the synthesis efficiency had a major impact on the energy ations, because embryonic growth rate was high. During the plateau phase, a galliform embryo allocated energy in favor of its maintenance costs in three ways: by decreasing growth rate, by increasing synthesis efficiency, and by the formation of glycogen. Our study suggests that a reduction in growth rate plays a minor role. An increase of efficiency is more likely to explain the plateau in energy expenditure, since small increases in synthesis efficiency can lead to great savings on synthesis costs. Sijmen van Mouri
Originele taal-2Dutch
KwalificatieDoctor of Philosophy
Begeleider(s)/adviseur
  • Pondman, A.B.F.A., Supervisor, Externe Persoon
Datum van toekenning17-feb-1960
Plaats van publicatieGroningen
Uitgever
StatusPublished - 1960

Citeer dit