Ein: enkele rechtshistorische aspecten van de grondeigendom in Westerlauwers Friesland

Nikolaas Egbert Algra

Onderzoeksoutput

140 Downloads (Pure)

Samenvatting

Het is thans mogelijk de ontwikkeling van de rechterlijke organisatie in Friesland van ongeveer 1000 tot 1500 in grote lijnen te schetsen. Kort na het begin van het tweede millennium werd Friesland -voordien een tegen de Noormanneninvallen ingerichte "mark" -aan de Brunonen in leen uitgegeven. Zij waren echter niet in staat, hun gezag tot een landsheerlijkheid uit te bouwen, vermoedelijk doordat hun Friese gebied niet bij hun hoofdleen aansloot, wat de territorialisering bemoeilijkt zal hebben. Bovendien stonden zij af en toe op gespannen voet met hun leenheer, de keizer, die dan ook enkele malen hun een deel van het leen ontnam en daarmee de bisschop van Utrecht beleende. In een treffen tussen Hendrik de Vette van Nordheim, op wie de rechten van de Brunonen waren vererfd, en de ridders van de bisschop, bijgestaan door de Friezen, leed de eerste een beslissende nederlaag (1101). Ook zijn opvolger in rechte, Hendrik van Zutfen, bleek niet tegen de bisschop opgewassen te zijn en na diens kinderloos overlijden kreeg de kerkvorst hier voorlopig de handen vrij. Onder zijn bewind werd de wereldlijke organisatie min of meer een complement van de geestelijke. Een comes advocatus (ofr.: frana) was de opperste overheidspcrsoon in het land en had de leiding van de echte dingen, die driemaal 's jaars werden gehouden. Van lagere orde waren de redgergerechten, die vermoedelijk op onregelmatige tijden in ieder deel zitting hielden Zij stonden mogelijk onder leiding van een rechtsvorderaar, die de titel "schout" droeg. De Bisschop zelf maakte ieder jaar persoonlijk een gerechtsreis door het noorden van zijn gebied, waarbij hij Friesland, Groningen en Drente bezocht teneinde de geestelijke en wereldlijke jurisdictie uit te oefenen. In 1165 moest de bisschop een deel van zijn rechten aan de graat van Holland afstaan. De comes /advocatus bleef gehandhaafd, maar hij zou voortaan de ban van de keizer ontvangen, na door de bisschop en de graaf gekozen te zijn. Ook de graaf werd thans gerechtigd in de schrikkel jaren Friesland te visiteren. Op den duur is het de graven gelukt de bisschop nagenoeg geheel uit zijn rechten op Friesland te verdringen; in de late middeleeuwen restte hem nog slechts de helft van de tol te Staveren.Toen de graaf de facto het alleenrecht uitoefende, schijnt hij de rechterlijke organisatie op Hollandse leest te hebben geschoeid. Het zwaartepunt van de rechts- pleging kwam op het jaarlijks gehouden bodding te liggen. Deze rechtbank, gevormd door de schouten van de onderhorige delen, oefende de hoge jurisdictie uit. In ieder deel waren (deels-) schouten met de zorg voor de rechtspleging belast; tot hun competentie behoorden voornamelijk waterstaatszaken en geringe delikten. De laagste gerechten waren de dorpsgerechten, waarin "atten" (= gezworenen) zitting hadden. Een speciaal college voor zijn "goede mannen" (leenmannen van de graaf) was het hofding, gevormd door de graaf met zijn raad ("wijze mannen"). Dit gerecht was niet aan de oude "forme1e rechts- regels gebonden. Het is de graven niet gelukt hun gezag over Friesland te bestendigen De landadel - voornamelijk die van Westergo - verzette zich met succes tegen de pogingen van de graaf in Friesland een leenstelsel in te voeren en de rechterlijke organen afhankelijk te maken. Het gelukte de Friezen op den duur zich van de graaf "vrij te vechten". De graaf kon in de 14e en 15e eeuw generlei gezag meer over Friesland uitoefenen; de periode van de zg. Friese Vrijheid was aangebroken. Het is echter hoogst onwaar- schijnlijk, dat de breuk met de graaf die sporen in de rechterlijke organisatie heeft nagelaten. De belangrijkste daardoor ontstane wijziging was wei het verdwijnen van het hofding. Voor het overige bleven de veranderingen, voor zover wij weten, tot een herziening van de titulatuur beperkt: de titel schout werd door die van grietman vervangen. Sterk werkten in deze tijd de centrifugale krachten; door de voortdurende veten bete- kenden de landsgerechten slechts weinig meer terwijl de deelsgerechten hier en daar in kleinere eenheden uiteenvielen. "Herich" recht is in die dagen een zeldzaamheid. Tegen het einde van de middeleeuwen zien wij dat - op initiatief van de steden - geprobeerd wordt het ontwrichte bestel weer in ordelijke banen te leiden. Een college van landen (te weten Oostergo, Westergo en Zevenwouden) en steden treedt dan als bestuurs-en rechterlijk orgaan op. Dit college is echter pas van grote betekenis geworden (als statenvergadering) nadat de Saksische hertogen in 1498 Friesland hadden onderworpen en orde en rust hadden hersteld. Geschillen over land dienden aanvankelijk voor het landsgerecht, doch de schout (en later de grietman) in het lagere gerecht kon, bij een meningsverschil terzake van land, een der partijen een vrede daaraan verlenen ("ferdban"). Doordat die ferdban niet dan na een onderzoek van de standpunten der partijen werd verleend, kreeg deze ferdban op den duur het karakter van een "vonnis". Geschillen om land werden toen "in eerste ins tan tie" door het deelsgcrecht behandeld..... Zie: Samenvatting
Originele taal-2Dutch
KwalificatieDoctor of Philosophy
Begeleider(s)/adviseur
  • Gerbenzon, P., Supervisor, Externe Persoon
Datum van toekenning25-apr-1966
Plaats van publicatieGroningen
Uitgever
StatusPublished - 1966

Citeer dit