Het gezag in de onderneming

Philip Abraham Idenburg

Onderzoeksoutput

118 Downloads (Pure)

Samenvatting

I. Inleiding Het gezagsvraagstuk raakt de kern van veel wat het bedrijfsleven beroert. Meynen spreekt in zijn boven geciteerde rede onder meer over medezeggenschap, de ondernemingsraden, communicatie, en vooral over de erkenning van het conflict tussen autocratie en mondigheid dat hij 'een van de belangrijkste sociale kenmerken van de moderne onderneming in onze tijd' noemt (140, p. 6 ) . Het gezag is een levend probleem, hoewel het niet altijd even direct aan de orde wordt gesteld als door Meynen en Armand. Het gaat over het gezag als er op wordt gewezen hoe ten gevolge van de structurele wijzigingen in de onderneming de taak van de leiding steeds zwaarder wordt. Geen jaarrede, geen jaarverslag, dat niet de bezorgdheid er over uitspreekt hoe moeilijk het is de mensen bij het werk te betrekken, de samenwerking te verbeteren en de bedrijfsdemocratie inhoud te geven. Omgekeerd, als het over het gezag in de onderneming gaat, gaat het over alle genoemde vraagstukken. Wat er over gezag wordt gezegd en gedacht is oorzaak en gevolg van alles wat er over de plaats, taak en werkwijze van de onderneming wordt gedacht en van hoe in dit kader mondigheid, menselijke verantwoordelijkheid en menselijke samenwerking worden gezien. Uitoefenen van gezag is in iedere organisatie een fundamentele voorwaarde voor het bereiken van de doelen. Juist daarom kan onenigheid over wat gezag is tot spanningen aanleiding geven. Het gaat bij het vraagstuk van het gezag om moeilijke en verwarrende zaken. Dat mag echter geen reden zijn het onbesproken te laten. Gaan wij voorbij aan het fundamentele, zegt Armand, dan missen wij synthese in de problemen van de tweede orde. Deze studie houdt zich dus bezig met het gezagsvraagstuk in de onderneming. Dat is een riskante zaak, want ieder mens meent autoriteit te zijn op het gebied van het gezag. Ieder mens is ondergeschikt aan de een of andere vorm van gezag en vrijwel ieder mens oefent het uit. Gezag behoort tot de meest alledaagse aspecten van menselijk contact. Terecht wijst Peabody er dan ook op, dat een grondig onderzoek van het gezag met weinig minder toe kan dan te beginnen met een analyse van alle menselijke interactie (156, p. 1). Dat juist maakt de studie van het gezagsvraagstuk tot een van de meest boeiende die denkbaar is; maar ook tot een van de meest gecompliceerde. Het is met gezag als met het stuk zeep in het bad: telkens denkt men het te vatten en dan glibbert het weer weg. Het doel van dit boek is dan ook niet meer dan het aanduiden van enkele aspecten van het begrip die van belang kunnen zijn als gezag een probleem is geworden. Daarin is gezag verwant met gezondheid: omdat er ziekte is zijn wij ons gaan interesseren voor de gezondheid. Het is een moeilijk te definieren begrip. THEORIE EN PRAKTIJK Als zoveel analyses van het menselijk samenleven, dreigt ook de studie van gezag de prooi te worden van de tweezijdige kritiek: dat zij 'formuleert wat ieder al weet op zodanige wijze dat niemand het meer begrijpt' ( 109, p. 1), en dat zij niet bruikbaar is voor de praktijk. Tegen de eerste opmerking geldt geen verweer dan een meer aansprekend betoog, maar de tweede vraagt om een nadere beschouwing. De socioloog Mannheim heeft aan het theorie-en praktijkvraagstuk interessante bladzijden gewijd. De leek, zo stelt hij, heeft het gevoel dat de socioloog wat hij weet, helderder weet dan de man van de praktijk, maar dat hij voorbij gaat aan veel werkelijke problemen van alledag. Dat komt daaruit voort, dat de sociale wetenschappen nog in een stadium verkeren van het partiele denken, terwijl de praktijkman altijd in termen van het interdependente denken zijn problemen zal aanvatten ( 133, p. 164 evv.). De praktijkman is genoodzaakt bij zijn beslissingen een synthese te maken tussen alle bekende en relevante aspecten van de werkelijkheid. Wetenschap zal trachten te penetreren in de werkelijkheid door het oog te richten op het deeL De synthese schiet tekort in de kennis van de delen, maar de theorie mist doorgaans het gevoel voor het geheel. De organisatiedeskundige Urwick wees er echter op, dat de praktijk statisch is. Zij doet wat ze kent en ze doet het goed. Maar de praktijk heeft geen principes waarmee ze het onbekende aankan. Zij is niet gemaakt voor snelle aanpassing aan een veranderende omgeving. Theorie is lichtvoetig. Zij kan zichzelf snel aanpassen aan veranderende omstandigheden, en nieuwe combinaties en mogelijkheden uitdenken (geciteerd in 89, p. 63). De theorie, vanuit de vrijblijvende distantie, heeft de neiging de praktijk trivialiteit te verwijten; de praktijk, vanuit de druk van de behoeften van het ogenblik, vindt vaak onverantwoordelijke vaagheid in de theorie. Dit is het dilemma van een analyse van het gezagsbegrip. Voor de een zal een klemmende zaak teleurstellend vaag blijven, maar voor de ander wordt een veelkleurige en altijd open menselijke relatie als schijnbaar gesloten en doorzichtig voorgesteld. Dit is het slappe koord waarop de theoreticus zal moeten dansen. ... Zie: Inleiding
Originele taal-2Dutch
KwalificatieDoctor of Philosophy
Begeleider(s)/adviseur
  • Bouman, P.R., Supervisor
Datum van toekenning17-jun-1966
Plaats van publicatieGroningen
Uitgever
StatusPublished - 1966

Citeer dit