Geurproblematiek VAM Wijster: Beoordeling geuraspecten vergunningaanvraag voor gesloten GFT compostering en biologische slibdroging VAM-Wijster

Willem Posthumus, Henk Mulder

    OnderzoeksoutputProfessional

    83 Downloads (Pure)

    Samenvatting

    Dit rapport behandelt de geuremissie van het VAM-complex in Wijster. Het gaat vooral in op de geuraspecten in de uitbreidingsvergunning voor de gesloten compostering (GECO 400) en de vergunning voor de geplande biologische slibdroger (1). Tevens wordt aandacht besteed aan het algemene stankbeleid in Nederland, waarin de lokale overheden recentelijk meer vrijheid hebben gekregen. Ook wordt de actuele discussie belicht over het opnemen van 'geurbeleving' in een (zo mogelijk) objectieve normstelling voor geuremissie (2). De overheid heeft sinds 1995 principe van landelijk geldende uniforme geurnormen verlaten. De nadruk wordt nu gelegd op het ALARA-principe en het voorkómen van geurhinder. Voor het bepalen van mogelijke geurhinder is een (in principe) objectieve meetmethode ontwikkeld, die het uitvoeren van subjectieve en omslachtige hinderenquêtes overbodig maakt. Hierbij wordt de mate van onaangenaamheid van de geur, de zogenaamde hedonische waarde, bepaald door een geurpanel en in de normen verdisconteerd. Voor een aantal bedrijfsklassen, waarbinnen de geuremissies sterk overeenkomen (categorie 1 bedrijven), zijn in de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (NeR) standaardmaatregelen vastgelegd die geacht worden hinder te voorkomen. Voor bedrijfstakken waarbinnen de geuremissies sterk verschillen (categorie 2) en voor grote, complexe of unieke bedrijven (categorie 3) blijft de vergunningverlening maatwerk. 1) Beoordeling van de vergunningen voor de GECO 400 en de biologische slibdroger. In beide vergunningen worden de cumulatieve effecten van de geuremissie vanaf het gehele VAM-complex onvoldoende in de beschouwing betrokken. De emissie van de GECO kan bijvoorbeeld niet op zichzelf aan de bijzondere regeling voor gesloten compostering voor categorie 1 bedrijven worden getoetst. Wanneer bijvoorbeeld op een bepaalde plek in de omgeving 0,8 geureenheden per m³ van geur A aanwezig zijn en 0,5 ge/m³ van geur B, is het goed mogelijk dat de samengestelde geur een intensiteit heeft die hoger is dan 1 ge/m³. Toetsing van A en B aan separate bijzondere regelingen onderschat dus het mogelijk optreden van hinder. Het voor verspreidingsberekeningen gebruikte computermodel (LTFD-model) bevat voldoende mogelijkheden om verschillende bronnen, met correctie voor hun onderlinge afstand, bij elkaar op te tellen. De VAM dient te worden gezien als een categorie 3 bedrijf; de vergunningverlening is dus maatwerk. In beide vergunningen is onduidelijkheid over de werkelijke geuremissies doordat 'geureenheden' en 'snuffeleenheden' in de bij de vergunning behorende stukken door elkaar gebruikt worden. Hierdoor is er geen duidelijkheid over het al dan niet vóórkomen van hinder. Hoewel de VAM in de Statusrapportage voor de GECO stelt van wel, geven snuffelploegmetingen geen inzicht in de mate van optredende hinder; dit kan alleen worden onderzocht in een hinderonderzoek. Bij de beoordeling van de emissie van de GECO wordt een fout gemaakt in de berekening van de geurcontouren. De emissiegetallen worden berekend met een correctie voor de achtergrondgeur in de omgeving en vervolgens getoetst aan de normen in de standaardregeling GFT-compostering van de NeR. Deze normen bevatten deze correctie echter al. De correctie wordt zodoende dubbel uitgevoerd, waardoor de optredende hinder wordt onderschat; in dit geval met een factor 4. Achtergrondgeuren kunnen eigenlijk alleen in de normering voor bestaande situaties worden betrokken. Waar in Wijster nu nog de geur van intensieve veehouderij de geur van de compostering enigszins kan maskeren, zal dit geen blijvende situatie zijn: ook voor de landbouw is het beleid gericht op verdere sanering van geurbronnen. De vergunning voor de GECO is onduidelijk in voorschrift 1.4, waar wordt gesteld dat de emissie aan de eisen van de NeR dient te voldoen. Ten eerste voorziet de NeR in geurvrije verwerking van het afvalwater, terwijl dit blijkens de considerans bij de vergunning buiten de vergunning om mag worden geregeld. Dit is een tegenstrijdigheid in de vergunning. Ten tweede is het in de vergunning onduidelijk of toetsing plaats moet vinden aan de normen voor een nieuwe composteringsinrichting dan wel aan de normen voor een bestaande inrichting. De huidige vergunning (op grond van de afvalstoffenwet) geeft strenge geurnormen. Omdat deze onhaalbaar blijken te zijn, mogen de normen in de nieuwe vergunning versoepeld worden. Daar de GECO pas begin jaren 90 in gebruik is genomen, en zuiveringen alleen end-of-pipe zijn, lijkt versoepeling tot de normen voor 'nieuwe installaties' beter dan nog verdergaande versoepeling tot de normen voor 'bestaande installaties'. De door de provincie gesuggereerde hybride normstelling, waarbij de uitbreiding aan de norm voor nieuwe installaties wordt getoetst, en de op dit moment reeds vergunde capaciteit aan die van bestaande installaties lijkt dus niet op het ALARA principe gebaseerd te zijn. Voor beide vergunningen geldt dat saneringsopties op grond van het ALARA principe alleen zijn uitgewerkt voor end-of-pipe oplossingen: biofilters, en in geval van de slibdroger tevens een verhoogd emissiepunt. Een procesgeïntegreerde oplossing, waarbij gekeken wordt naar de saneringsmogelijkheden die het gehele VAM-complex biedt zou meer recht doen aan het ALARA-principe. Zo lijkt het ons mogelijk om de proceslucht vanuit de GECO en de slibdroger na te verbranden in de vuilverbrandingsinstallatie (GAVI) op het terrein. Tegen minimale investeringen voorkomt dit de laatste geuremissie vanuit de afgevoerde proceslucht en de bouw van een extra schoorsteen (horizonvervuiling). Doordat de biofilters in deze variant kunnen vervallen levert dit misschien zelfs een financieel voordeel op. 2) Het nieuwe stankbeleid In het nieuwe stankbeleid wordt, in de standaardmaatregelen van de NeR, de hedonische waarde van de geur verdisconteerd. Hierover is discussie mogelijk; volgens sommige deskundigen is de mate van vrijwilligheid van de blootstelling belangrijker dan de aard van de geur. Deze kritiek pleit in feite voor herstel van algemene normen, in de vorm van een maximale geurconcentratie gedurende een bepaald percentage van de tijd, zonder rekening te houden met de aard van de betreffende geur. Correctie voor achtergrondgeuren in de omgeving, zoals in de standaardrichtlijnen voor de gesloten compostering, kan een pragmatische maatregel zijn voor bestaande geuremissiebronnen. In nieuwe gevallen zou dit achterwege moeten blijven. Men voorkomt zo dat de geuremissie hoger blijft dan strikt noodzakelijk. Het is dus de vraag of het mogelijk is om een goede regelgeving te ontwikkelen met allerlei correcties voor de aard van de geur en achtergrondconcentraties. In theorie is geurnormering op basis van een percentielnorm voor hedonische waarden ideaal. In de praktijk moet echter worden voorkomen dat er een 'meetcircus' ontstaat, waarbij allerlei mogelijke stoffen en combinaties worden onderzocht en de resultaten vervolgens voor elke afzonderlijke praktijksituatie met een andere achtergrondgeur moeten worden aangepast. In zo'n situatie kan namelijk alsnog willekeur en onduidelijkheid ontstaan.
    Vertaalde titel van de bijdrageOdour problems at VAM Wijster
    Originele taal-2Dutch
    Plaats van productieGroningen
    UitgeverijChemiewinkel Rijksuniversiteit Groningen
    Aantal pagina's40
    VolumeC84
    StatusPublished - 1998

    Citeer dit